Eiseres, werkgever van werknemer [naam], kreeg van het UWV een loonsanctie opgelegd wegens vermeende onvoldoende re-integratie-inspanningen. Na bezwaar en beroep verklaarde het UWV het besluit onterecht en trok de loonsanctie in. De rechtbank oordeelde dat het besluit onrechtmatig was en dat eiseres recht had op schadevergoeding.
De loonsanctie hield in dat eiseres het loon van werknemer moest doorbetalen tot 8 december 2021, terwijl werknemer vanaf 4 december 2020 geschikt werd geacht voor eigen werk. De rechtbank stelde vast dat het opzegverbod wegens ziekte niet langer gold vanaf een week na ontvangst van het deskundigenoordeel van 17 februari 2021, waarna eiseres de arbeidsovereenkomst had kunnen beëindigen.
De rechtbank veroordeelde het UWV tot vergoeding van het loon over de periode van 9 december 2020 tot en met 23 februari 2021, inclusief werkgeverslasten. Tevens werd het griffierecht en proceskosten aan eiseres toegewezen. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en herroept het primaire besluit.