ECLI:NL:RBNHO:2021:8249

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
22 september 2021
Publicatiedatum
23 september 2021
Zaaknummer
C/15/320121 / HA RK 21/179
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:18 AwbArt. 110 VWEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek wegens ongefundeerde aantijgingen en misbruik van procesrecht

Verzoekster heeft bij de rechtbank Noord-Holland een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter in lopende belastingzaken, stellende dat de rechter niet onpartijdig zou zijn vanwege vermeende belangenverstrengeling en onrechtmatige rechtspraak. De wrakingskamer heeft het verzoek zonder mondelinge behandeling behandeld en geoordeeld dat het verzoek kennelijk ongegrond is.

De wrakingskamer benadrukt dat de rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij uitzonderlijke omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing vormen voor vooringenomenheid. De door verzoekster aangevoerde gronden bestonden uit grove, ongefundeerde beschuldigingen en scheldwoorden, die niet voldoen aan de vereisten voor wraking. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die objectief twijfel aan de onpartijdigheid rechtvaardigen.

De wrakingskamer kwalificeert het verzoek als misbruik van procesrecht vanwege het lichtvaardige en onbehoorlijke gebruik van de wrakingsprocedure. Daarom worden toekomstige wrakingsverzoeken van verzoekster in deze hoofdzaken niet meer in behandeling genomen. De procedure wordt voortgezet zoals die was ten tijde van het verzoek.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt afgewezen en toekomstige wrakingsverzoeken van verzoekster worden niet meer in behandeling genomen.

Uitspraak

RECHTBANK

Fout! De documentvariabele ontbreekt.
/Fout! De documentvariabele ontbreekt.Fout! De documentvariabele ontbreekt.
Wrakingskamer
Zaaknummer: 320121 HARK 21-179
Beslissing van 22 september 2021
Op het verzoek tot wraking ingediend door:
[verzoekster] ,gevestigd te Zaandam, verzoekster,
gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven
Het verzoek is gericht tegen:
mr. B. van Walderveen,hierna te noemen: de rechter.

1.Procesverloop

Bij e-mailbericht van 8 september 2021 heeft verzoekster de wraking van de rechter verzocht in de bij deze rechtbank, team Belastingrecht, locatie Haarlem, aanhangige hoofdzaken, die zijn vermeld op de bijlage die aan deze beslissing is gehecht en daarvan deel uitmaakt.
Ingevolge paragraaf 5.2, aanhef en onderdeel a, van het binnen deze rechtbank geldende Wrakingsprotocol rechtbank Noord-Holland kan de wrakingskamer een mondelinge behandeling van het verzoek achterwege laten als sprake is van een kennelijk ongegrond wrakingsverzoek. In deze zaak heeft de wrakingskamer van deze bevoegdheid gebruik gemaakt.

2.Het standpunt van verzoekster

Verzoekster heeft, bij monde van haar gemachtigde, ter inleiding van het verzoek onder meer aangevoerd dat de rechtbank in de aan de orde zijnde hoofdzaken de Unierechtelijke bepalingen moet waarborgen. Artikel 110, eerste alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, verbiedt, aldus de gemachtigde, elke lidstaat om op producten van de overige lidstaten hogere belastingen te heffen dan die welke op gelijksoortige nationale producten worden geheven. In dat kader acht de gemachtigde het een ongekend zwarte dag dat de rechter zal optreden als de rechter in de hoofdzaken. In het verzoekschrift heeft de gemachtigde dit standpunt als volgt gemotiveerd:
“Ik wraak bij deze [de rechter], die man is echt een hele vieze clown, moraalridder annex fatsoensrakker, geboren charlatan, die van burgertjes naaien zijn beroep heeft gemaakt en daarbij blijkbaar alle registers open tracht te trekken die hem goeddunken. Het is ook niet uit te sluiten dat zijn rechtspraak het gevolg is van vergoedingen die mogelijk op buitenlandse derdenrekeningen gestort worden, het OM zou eens een enorm onderzoek moeten starten naar de handel en wandel van [de rechter] om vast te stellen waarom hij structureel weigert onafhankelijk en onpartijdig recht te spreken en zijn werk te doen wat hem vanuit Europa is opgedragen, namelijk de rechten die rechtsonderhorigen kunnen ontlenen aan het recht van de Unie, in volle omvang te waarborgen.
[De rechter] hanteert ogenschijnlijk het principe naar de heffende autoriteit van ‘ik zal jou pijpen, neuk jij mij dan in mijn anus?’, hoe ongekend kan iemand ontsporen in zijn opdracht als onafhankelijke en onpartijdige rechter in zijn niet aflatende drang waar mogelijk burgers te belazeren en op te lichten!!!”

3.De beoordeling

3.1
Op grond van artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert (de subjectieve toets). Daarnaast kan de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd zijn indien sprake is van feiten of omstandigheden die, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de rechter in de hoofdzaak, grond geven om te vrezen dat een rechter niet onpartijdig is, waarbij ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid van belang is. Die feiten of omstandigheden moeten zwaarwegende redenen opleveren voor objectiveerbare twijfel aan de onpartijdigheid (de objectieve toets). Het subjectieve oordeel van verzoekster is voor de beoordeling van beide toetsen wel belangrijk maar niet doorslaggevend.
3.2
Gelet op hetgeen is vermeld onder 2 is het wrakingsverzoek in het licht van artikel 8:15 Awb Pro kennelijk ongegrond. Louter ongefundeerde stellingen en een scheldkannonade kunnen niet de conclusie wettigen dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Die gronden kunnen dan ook geen uitzonderlijke omstandigheid vormen die een zwaarwegende aanwijzing vormt dat de rechter jegens verzoekster een vooringenomenheid koestert waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Feiten en omstandigheden die zwaarwegende redenen zouden opleveren voor objectiveerbare twijfel aan de onpartijdigheid van de rechter zijn voorts gesteld noch gebleken.
3.3
Het verzoek bevat ongefundeerde aantijgingen aan het adres van de rechter die zijn verwoord op een grove en onwelvoeglijke wijze die de gemachtigde bepaald niet strekken tot eer. Daarmee heeft verzoekster, bij monde van de gemachtigde, een zodanig lichtvaardig en onbehoorlijk gebruik gemaakt van de wrakingsprocedure dat de wrakingskamer het wrakingsverzoek daarom bestempelt als misbruik van procesrecht. Op deze grond zullen verdere verzoeken tot wraking in de hoofdzaken niet meer in behandeling worden genomen op de voet van artikel 8:18, vierde lid, van de Awb.

4.Beslissing

De wrakingskamer:
  • wijst het verzoek af;
  • bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van verzoekster in de hoofdzaken niet in behandeling wordt genomen;
  • beveelt de griffier onverwijld aan verzoekster, de rechter en de wederpartij in de hoofdzaken een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden;
  • beveelt dat het proces in de hoofdzaken wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. W.J. van Andel, voorzitter, en mr. R.H.M. Bruin en
mr. C.A.M. van der Heijden, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van
H. van Lingen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2021.
griffier voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.