Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Tenlastelegging
2.Voorvragen
3.Beoordeling van het bewijs
4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
5.Strafbaarheid van de verdachte
6.Motivering van de sanctie
20 maart 2018, de datum waarop de verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn ten tijde van de (eerste) zitting op 19 november 2020 reeds was overschreden met 8 maanden. Het onderzoek ter terechtzitting werd op die datum wegens ziekte van de raadsman geschorst. Dat in deze zaak uiteindelijk op 26 augustus 2021 eindvonnis wordt gewezen, valt – gelet op het voorgaande – deels toe te rekenen aan de verdediging. De rechtbank stelt, daarmee rekening houdend, de totale overschrijding van de redelijke termijn vast op 12 maanden.
7.Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
8.Toepasselijke wettelijke voorschriften
9.Beslissing
24 maanden.
[slachtoffer]geleden schade tot een bedrag van
€ 5.485,-, bestaande uit € 3.485,- als vergoeding voor de materiële en € 2.000,- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 oktober 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting. Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door (een van) de medeverdachte(n) is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.