Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 februari 2021 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
Procesverloop
Overwegingen
De partner van eiser, [naam] , is met ingang van 11 november 2016 de enig aandeelhouder geworden en was de DGA. Eiser heeft, zo blijkt uit het dossier, een arbeidsovereenkomst met de B.V. gesloten waarbij hij per 1 april 2016 in dienst van de B.V. trad als werknemer (functie van directeur). Namens de B.V. is getekend door [naam] .
[naam] is op 13 juli 2018 overleden. De moeder van eiser heeft met ingang van 1 januari 2018 de aandelen overgenomen en was vanaf dat moment de DGA. De moeder is op
31 oktober 2018 overleden. Eiser is de enige erfgenaam. Eiser heeft de nalatenschap in januari 2019 beneficiair aanvaard en is de vereffenaar van de boedel.
Beoordeling
1. Onder de directeur-grootaandeelhouder, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel d, van de Ziektewet, artikel 6, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 6, eerste lid, onderdeel d, van de Werkloosheidswet en artikel 3:17, eerste lid, onderdeel b, onder 5°, van de Wet arbeid en zorg wordt verstaan:
De rechtbank overweegt nog dat uit de Regeling weliswaar volgt dat onder omstandigheden een DGA toch als werknemer kan worden aangemerkt, maar dan moet eiser wel aantonen dat hij feitelijk in een positie van ondergeschiktheid tot de B.V. stond ten tijde van de onderhavige aanvraag. Mede het voorgaande in acht genomen, is dat niet aannemelijk geworden.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat, in ieder geval vanaf het moment dat hij alle aandelen is gaan houden als enig erfgenaam en als zodanig is opgetreden, geen sprake was van enige gezagsverhouding, maar van een functioneren als DGA. Verweerder heeft derhalve terecht de nadien aangevraagde faillissementsuitkering WW geweigerd.