ECLI:NL:RBNHO:2021:3265
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling referteperiode dagloon WW-uitkering in bijzondere situatie
Eiser werkte bij een bedrijf en viel wegens ziekte uit, waarna hij gedeeltelijk loon doorbetaald kreeg. Na beëindiging van het dienstverband ontving hij een Ziektewetuitkering en vroeg hij een WW-uitkering aan. Verweerder stelde het dagloon vast met toepassing van artikel 2, achtste lid en onder a, van het Dagloonbesluit, wat leidde tot een relatief laag dagloon.
Eiser betoogde dat deze bepaling niet van toepassing zou moeten zijn omdat deze bedoeld is om nadelige effecten van ziekte in de referteperiode te voorkomen, terwijl in zijn situatie juist het tegenovergestelde het geval was. De rechtbank stelde vast dat de wetgever bij de wijziging onvoldoende rekening had gehouden met situaties zoals die van eiser, waarbij tijdens de wachttijd meer loon werd genoten dan in de referteperiode.
De rechtbank oordeelde dat toepassing van de bepaling in deze situatie onevenredig nadelig is en dat de referteperiode daarom zonder toepassing van deze bepaling moet worden vastgesteld. Het bestreden besluit werd vernietigd en verweerder werd opgedragen een nieuw besluit te nemen binnen zes weken. Tevens werd het betaalde griffierecht aan eiser vergoed.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd omdat artikel 2, achtste lid en onder a, van het Dagloonbesluit buiten toepassing moet worden gelaten.