ECLI:NL:RBNHO:2021:1934

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
17 februari 2021
Publicatiedatum
10 maart 2021
Zaaknummer
8010183 \ CV FORM 19-13047
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Uitvoeringswet EPGVArt. 2 EPGVArt. 3 lid 1 EPGVArt. 3 lid 2 EPGVArt. 63 Verordening (EU) nr. 1215/2012
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling toepasselijkheid Europese procedure voor geringe vorderingen bij vertraging vlucht Air Canada

De passagier vordert compensatie van Air Canada wegens vertraging van vlucht AC825 van Amsterdam naar Toronto, waardoor zij haar aansluitende vlucht miste en later aankwam dan gepland. De passagier baseert haar vordering op Verordening (EG) nr. 261/2004 en vraagt €600 plus incassokosten en rente.

De vervoerder betwist de verschuldigdheid. De kantonrechter onderzoekt ambtshalve de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en de toepasselijkheid van de Europese procedure voor geringe vorderingen (EPGV). De passagier woont in Nederland, Air Canada geeft in het vorderingsformulier Duitsland als woonplaats op, maar in het verweerschrift Canada als maatschappelijke zetel.

Omdat onduidelijk is waar Air Canada haar woonplaats heeft in de zin van de EPGV, kan niet worden vastgesteld of sprake is van een grensoverschrijdende zaak binnen het toepassingsgebied van de EPGV. De kantonrechter geeft de passagier de gelegenheid om zich hierover uit te laten en wijst verdere beslissing aan. Indien de EPGV niet van toepassing is, zal de procedure worden voortgezet volgens de dagvaardingsregels.

De beschikking is gegeven door kantonrechter S.N. Schipper en is onherroepelijk.

Uitkomst: De kantonrechter houdt de beslissing aan en geeft de passagier gelegenheid om zich uit te laten over de woonplaats van Air Canada en de toepasselijkheid van de EPGV.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 8010183 \ CV FORM 19-13047
Uitspraakdatum: 17 februari 2021
Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:
[de passagier]
wonende te [woonplaats]
verzoekende partij
verder te noemen: de passagier
gemachtigde: mr. I.G.B. Maertzdorff
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Air Canada
(mede) gevestigd te Frankfurt, Duitsland
verwerende partij
verder te noemen: de vervoerder
gemachtigde: P. Frühling

1.Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:
  • het vorderingsformulier (formulier A), ingekomen ter griffie op 2 september 2019;
  • het antwoordformulier (formulier C), ingekomen ter griffie op 15 oktober 2019;
  • de reactie op het verweerschrift van de passagier, ingekomen ter griffie op 10 april 2020;
  • de conclusie van dupliek, ingekomen ter griffie op 25 mei 2020.

2.De feiten

2.1.
De passagier heeft met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagier diende te vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport naar Pearson International Airport, Toronto, Canada op 31 augustus 2017 met vluchtnummer AC825 en aansluitend naar op dezelfde dag naar Newark Liberty International Airport, Verenigde Staten, met vluchtnummer AC7686. De geplande aankomsttijd op de eindbestemming was maandag 25 december 2017 om 22:05 uur (lokale tijd).
2.2.
Vlucht AC 825 van Amsterdam naar Toronto is vertraagd uitgevoerd, waardoor de passagier haar aansluitende vlucht heeft gemist. De passagier is omgeboekt naar een vervangende vlucht, waarmee zij 4 uur en 33 minuten later op de eindbestemming is aangekomen dan oorspronkelijk gepland.
2.3.
De passagier heeft compensatie van de vervoerder verzocht in verband met voornoemde vertraging.
2.4.
De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
De passagier verzoekt de vervoerder te veroordelen tot betaling van:
- € 600,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;
- primair € 181,50 en subsidiair € 108,90 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 21 september 2017 tot aan de dag der algehele voldoening,
- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 21 september 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.
3.2.
De passagier baseert haar verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof).
3.3.
De passagier stelt dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is compensatie te betalen conform artikel 7 van Pro de Verordening tot een bedrag van € 600,00. Daarnaast maakt de passagier aanspraak op betaling door de vervoerder van de buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente.
3.4.
De vervoerder betwist de verschuldigdheid en de hoogte van het verzochte. Op het verweer wordt - voor zover relevant - bij de beoordeling van het geschil ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.
4.2.
Op grond van artikel 2 en Pro artikel 3 lid 1 van Pro de Verordening (EG) nr. 861/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen (hierna EPGV) - voor zover hier van belang - is de EPGV van toepassing in grensoverschrijdende gevallen, indien ten minste een van de partijen haar woonplaats of haar gewone verblijfplaats heeft in een andere lidstaat dan de lidstaat van het aangezochte gerecht.
4.3.
Op grond van artikel 3 lid 2 EPGV Pro en artikel 63 van Pro Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, hebben vennootschappen en rechtspersonen woonplaats op de plaats van:
a. a) hun statutaire zetel,
b) hun hoofdbestuur, of
c) hun hoofdvestiging.
4.4.
De kantonrechter stelt vast dat de passagier in het vorderingsformulier onder 5.2 ‘Duitsland’ heeft vermeld als het land waar Air Canada haar woonplaats of gewone verblijfplaats heeft. Air Canada heeft echter in haar verweerschrift Saint-Laurent (Canada) als haar ‘maatschappelijke zetel’ vermeld. Indien op grond van dat laatste aangenomen moet worden dat Air Canada woonplaats heeft in Canada, valt het verzoek niet binnen het toepassingsbereik van de EPGV. Immers, de passagier woont in Nederland, het aangezochte gerecht is in Nederland gevestigd en Air Canada is dan niet in een lidstaat gevestigd. Van een grensoverschrijdende zaak zoals bedoeld in artikel 3 EPGV Pro is dan geen sprake.
4.5.
De kantonrechter kan op dit moment niet vaststellen wat de woonplaats van Air Canada is en of de EPGV van toepassing is. De kantonrechter ziet dan ook aanleiding om de passagier in de gelegenheid te stellen om zich bij akte uit te laten over de woonplaats van Air Canada - in de zin van de bepalingen zoals hierboven onder 4.3. vermeld – en over de toepasselijkheid van de EPGV. Vervolgens zal Air Canada in de gelegenheid worden gesteld om daarop te reageren.
4.6.
De passagier kan er, gelet op artikel 4 lid 3 EPGV Pro en artikel 4 van Pro de Uitvoeringswet Verordening Europese Procedure voor Geringe Vorderingen (hierna: Uitvoeringswet) ook voor kiezen het verzoek in te trekken. De kantonrechter wijst partijen erop dat indien de passagiers de vordering niet wensen in te trekken en de kantonrechter - na aktewisseling - concludeert dat de EPGV niet van toepassing is, de procedure conform artikel 4 lid 3 Uitvoeringswet Pro en artikel 69 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering wordt voortgezet volgens de regels van de dagvaardingsprocedure.
4.7.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
stelt de passagier in de gelegenheid om uiterlijk vóór 24 maart 2021 zich bij akte uit te laten zoals bedoeld in r.o. 4.5. dan wel het verzoek in te trekken zoals bedoeld in r.o. 4.6.;
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open