Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2021:12496

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
8 september 2021
Publicatiedatum
14 januari 2022
Zaaknummer
C/15/317347
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37 RvVerordening (EG) 261/2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek kantonrechter wegens niet-tijdige indiening

Verzoekers dienden op 16 juni 2021 een wrakingsverzoek in tegen kantonrechter Schipper in een zaak over vergoeding wegens vluchtvertraging. Het verzoek was gebaseerd op een tussenvonnis van 19 mei 2021, waarin verzoekers niet-ontvankelijk werden verklaard vanwege een vermeende cessie aan AirHelp en de gemachtigde werd veroordeeld in proceskosten.

De wrakingskamer oordeelt dat het verzoek niet tijdig is ingediend, aangezien het wrakingsverzoek kort na het tussenvonnis had moeten worden gedaan. De gemachtigde kon niet aannemelijk maken dat tijdige indiening niet mogelijk was. Daarnaast werd het verzoek inhoudelijk beoordeeld en afgewezen omdat de motivering van het tussenvonnis niet wijst op vooringenomenheid of partijdigheid van de rechter.

De wrakingskamer benadrukt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn en dat wraking niet kan worden gebruikt als verkapt rechtsmiddel tegen een beslissing. De eerdere veroordelingen van de gemachtigde in proceskosten in soortgelijke zaken rechtvaardigen evenmin de vrees voor partijdigheid. Het verzoek wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard en het proces wordt voortgezet in de oorspronkelijke stand.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen kantonrechter Schipper wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-tijdige indiening en inhoudelijk afgewezen wegens ontbreken van gegronde aanwijzingen voor partijdigheid.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLANDFout! De documentvariabele ontbreekt.
/Fout! De documentvariabele ontbreekt.
Fout! Dedocumentvariabele ontbreekt.
Wrakingskamer
zaaknummer / rekestnummer: C/15/ 317347 / HA RK 21/106
Beslissing van 8 september 2021
Op het verzoek tot wraking ingediend door:

1.[verzoeker 1]

2. [verzoekster 1]

3. [verzoeker 2]

4. [verzoekster 2]

allen wonende te [woonplaats]
verzoekers
gemachtigde: mr. D.E. Lof
Het verzoek is gericht tot:
mr. S.N. Schipper,
kantonrechter.

1.Het procesverloop

1.1.
Verzoekers hebben op 16 juni 2021 schriftelijk de wraking verzocht van de kantonrechter mr. Schipper in de bij deze rechtbank, team Handel, Kanton & Insolventie, locatie Haarlem, aanhangige zaak met als zaaknummer 8085980 CV EXPL 19-14894 (hierna te noemen: de hoofdzaak). In de hoofdzaak vorderen verzoekers een vergoeding wegens vluchtvertraging van gedaagde, een luchtvaartmaatschappij.
1.2.
De rechter heeft niet in de wraking berust en heeft schriftelijk op het verzoek gereageerd.
1.3.
Het verzoek is vervolgens behandeld ter openbare zitting van de wrakingskamer van 26 augustus 2021. Verzoekers, mr. Schipper (hierna ook te noemen: de rechter) en de wederpartij in de hoofdzaak zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Verzoekers en de rechter hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt, waarbij verzoekers zich hebben laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

2.Het standpunt van verzoekers

2.1.
Verzoekers hebben ter onderbouwing van het verzoek – samengevat –
het volgende aangevoerd
2.2.
De rechter behandelt de zaak niet volkomen onpartijdig, althans heeft de schijn van partijdigheid. De beslissing van de rechter in het tussenvonnis van 19 mei 2021 om verzoekers niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de gemachtigde van verzoekers niet ongevraagd afschriften heeft getoond van identiteitsbewijzen en de veroordeling van de gemachtigde in de werkelijke proceskosten te veroordelen, is niet uit te leggen. De rechter kan alleen tot zo’n beslissing komen wanneer hij denkt dat, zoals hij overweegt in rechtsoverweging 2.6., de gemachtigde geen toereikende volmacht heeft, de vordering is ingesteld op naam van meerdere personen die niet op de hoogte zijn van de procedure en die gemachtigde niet hebben ingeschakeld. Hieruit blijkt van wantrouwen van de rechter richting verzoekers, maar nog meer richting AirHelp (de organisatie die verzoekers hebben ingeschakeld voor hulp bij het incasseren van hun vordering) dan wel haar gemachtigde(n).
2.3.
Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoekers - samengevat - nog nader toegelicht dat dit de zoveelste zaak is waarin hij hoofdelijk in de proceskosten is veroordeeld door de rechter, terwijl er geen sprake is geweest van misbruik van procesrecht, liegen of (ander) onrechtmatig handelen. De schijn van partijdigheid zit hem erin dat de gemachtigde desondanks door de rechter telkens in de proceskosten wordt veroordeeld.

3.Het standpunt van de kantonrechter

3.1.
De rechter stelt dat het wrakingsverzoek moet worden afgewezen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de zaak niet is beoordeeld op zijn persoonlijke voorkeur voor luchtvaartmaatschappijen of passagiers maar op de Verordening (EG) 261/2004, de daarop betrekking hebbende uitspraken van het Europese Hof en de lagere jurisprudentie.
De vorderingen zijn niet inhoudelijk beoordeeld, omdat sprake is van niet-ontvankelijkheid, aangezien verzoekers hun veronderstelde vorderingsrecht hebben gecedeerd aan AirHelp. Dat de gemachtigde van verzoekers niet ongevraagd afschriften van identiteitsbewijzen van verzoekers heeft getoond, is niet de reden voor de niet-ontvankelijkverklaring. Verder stelt de rechter dat de gemachtigde op verschillende manieren gepoogd heeft de niet-ontvankelijkheid van verzoekers te ontlopen, waarbij elementaire beginselen van het burgerlijk procesrecht zijn geschonden. Daaraan mag een rechter de gevolgen verbinden die hij geraden acht. Dat is de reden dat in het tussenvonnis het voornemen is geuit om de gemachtigde van verzoekers in de proceskosten in de hoofdzaak te veroordelen. Dat heeft niets te maken met partijdigheid, vooringenomenheid of wantrouwen jegens verzoekers, Airhelp of de gemachtigde.

4.4. De beoordeling

4.1.
Een wrakingsverzoek moet ingevolge artikel 37 van Pro het Wetboek van Rechtsvordering (Rv) worden gedaan ‘
zodra de feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden aan de verzoeker bekend zijn geworden’. Hieruit volgt dat een wrakingsverzoek, waarvan de grondslag is gelegen in een (tussen-)vonnis, terstond of kort na ontvangst van dat vonnis moet worden ingediend. Dat is hier niet gebeurd, nu het wrakingsverzoek – dat is gegrond op (beslissingen en rechtsoverwegingen uit) het tussenvonnis van 19 mei 2021 – pas 16 juni 2021 is ingediend. Niet is gebleken van omstandigheden die aan een tijdige indiening in de weg stonden. De gemachtigde van verzoekers heeft in dit verband ter zitting toegelicht dat hij niet precies weet wanneer hij het vonnis gelezen of ontvangen heeft, maar dat hij ervoor heeft gekozen het wrakingsverzoek in te dienen toen hij zag dat de zaak weer op de rol stond. De wrakingskamer is op grond van het voorgaande van oordeel dat het verzoek om wraking niet tijdig is gedaan, zodat het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk wordt verklaard.
4.2.
Ten overvloede overweegt de wrakingskamer dat, ook wanneer het verzoek tijdig zou zijn ingediend, het niet tot toewijzing ervan zou hebben geleid. Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.3.
Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert (zogenaamde subjectieve toets). Daarnaast kan de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd zijn indien sprake is van feiten of omstandigheden die, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de rechter in de hoofdzaak, grond geven om te vrezen dat een rechter niet onpartijdig is, waarbij ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid van belang is. Die feiten of omstandigheden moeten zwaarwegende redenen opleveren voor objectiveerbare twijfel aan de onpartijdigheid (zogenaamde objectieve toets).
4.4.
De wrakingskamer stelt voorop dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen met zich meebrengt dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig geen grond kan vormen voor wraking; wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Onder verwijzing naar Hoge Raad 25 september 2018: ECLI:NL:HR:2018:1413, stelt de wrakingskamer dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich er ook tegen verzet dat de motivering van een (tussen)beslissing grond kan vormen voor wraking. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten - bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde woorden- niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven.
4.5.
De wrakingskamer is van oordeel dat daarvan in het tussenvonnis geen sprake is. De beslissingen om verzoekers niet-ontvankelijk te verklaren en om de gemachtigde in de proceskosten te veroordelen zijn door de rechter uitgebreid gemotiveerd en zijn – mede in het licht van wat partijen in de hoofdzaak over en weer naar voren hebben gebracht – niet zo onbegrijpelijk dat zij een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat de rechter jegens verzoekers een vooringenomenheid koestert, althans dat de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd is. De omstandigheid dat de gemachtigde van verzoekers in een groot aantal andere zaken ook in de proceskosten is veroordeeld, maakt dit niet anders. Zoals de rechter ter zitting heeft toegelicht, waren dat soortgelijke zaken waarin op dezelfde juridische gronden (naar aanleiding van verweren van de gedaagden in de hoofdzaken) tot eenzelfde oordeel is gekomen, niet alleen door de rechter maar ook door andere rechters in luchtvaartzaken. Dat deze oordelen met name de gemachtigde van verzoekers treft, is omdat hij in deze zaken steeds als gemachtigde optrad. Ook hieruit blijkt niet van vooringenomenheid of (de schijn van) partijdigheid van de rechter.
4.5.
Door verzoekers zijn geen andere feiten en omstandigheden gesteld die maken dat de inhoud of de motivering van de beslissing van de rechter om verzoekers niet-ontvankelijk te verklaren en het voornemen om de gemachtigde van verzoekers in de werkelijke proceskosten te veroordelen, niet anders kunnen worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
verklaart het verzoek tot wraking van mr. S.N. Schipper niet-ontvankelijk;
5.2.
beveelt de griffier onverwijld aan verzoekster, mr. S.N. Schipper en de wederpartij in de hoofdzaak een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden;
5.3.
beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.
Deze beslissing is gegeven door de leden van de wrakingskamer mr. E.B. de Vries-van den Heuvel, voorzitter, mr. J.M. Janse van Mantgem en mr. M. Mateman, in tegenwoordigheid van mr. N. Kampert, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2021.
De griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.