ECLI:NL:RBNHO:2021:12302

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
30 december 2021
Publicatiedatum
3 januari 2022
Zaaknummer
C/15/323431 HA RK 21/240
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing op wrakingsverzoek tegen kantonrechters in handelszaak

Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen drie kantonrechters die betrokken zijn bij een handelszaak waarin hij gedaagde is. Het verzoek betrof vermeende onpartijdigheid vanwege het afwijzen van een uitstelverzoek en de wijze waarop eerdere vonnissen waren gewezen.

De wrakingskamer heeft het dossier onderzocht en vastgesteld dat twee van de rechters geen bemoeienis hadden met de zaak, waardoor het verzoek tegen hen niet-ontvankelijk is. Het verzoek tegen de derde rechter, die het uitstelverzoek had afgewezen, werd inhoudelijk beoordeeld.

De kamer oordeelde dat het enkele feit dat een rechter een procesbeslissing neemt, zoals het afwijzen van een uitstel, geen grond voor wraking vormt. Ook ontbraken concrete feiten of omstandigheden die een redelijke vrees voor partijdigheid rechtvaardigen.

Daarom werd het wrakingsverzoek tegen deze rechter kennelijk ongegrond verklaard. De zaak wordt voortgezet in de stand van 21 december 2021, en tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek is deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard, waarna de hoofdzaak wordt voortgezet.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Wrakingskamer
Locatie Alkmaar
zaaknummer / rekestnummer: C/15/323431 HA RK 21/240
Beslissing van 30 december 2021
op het verzoek tot wraking ingediend door:
[verzoeker]
wonende te [woonplaats],
verzoeker.
Het verzoek is gericht tegen:
mr. M.C. van Rijn
(of nu reeds voor alsdan een andere betrokken rechter,
bijvoorbeeld mr. M. Flipse en mr. A.E. Merkus)
hierna te noemen: de rechter.

1.Procesverloop

1.1.
Verzoeker heeft op 21 december 2021 schriftelijk de wraking verzocht van de rechter. Bij deze rechtbank, Sectie Kanton, locatie Alkmaar, is een zaak aanhangig met als zaak- en rolnummer 9530598 \ CV EXPL 21-5577, hierna te noemen: de hoofdzaak.
Verzoeker is in de hoofdzaak de gedaagde partij. Op de rolzitting van 10 november 2021 heeft hij als gedaagde partij om uitstel gevraagd voor het nemen van een conclusie van antwoord. Dat uitstel is hem verleend, tot 8 december 2021.
1.2.
Op 8 december 2021 heeft verzoeker geen schriftelijk verweer gevoerd. Er werd aan verzoeker “ambtshalve niet dienen” verleend. De zaak is vervolgens verwezen naar de rolzitting van 5 januari 2022 voor het wijzen van vonnis.
1.3.
Bij e-mailbericht van 15 december 2021 heeft verzoeker alsnog verzocht om uitstel voor een periode van zes weken voor zijn antwoord. Dat verzoek is door de kantonrechter afgewezen.
1.4.
De wrakingskamer heeft op grond van de hierna opgenomen overwegingen besloten geen datum te bepalen voor een mondelinge behandeling van het verzoek.

2.De beoordeling

2.1.
Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert (de zogenaamde subjectieve toets).
Daarnaast kan de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd zijn indien sprake is van feiten of omstandigheden die, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de rechter, grond geven om te vrezen dat de rechter niet onpartijdig is, waarbij ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid van belang is.
2.2.
De wrakingskamer heeft het dossier in de hoofdzaak opgevraagd. Uit de aantekeningen in het dossier volgt dat de gewraakte rechter,
mr. Van Rijn, met dit dossier geen bemoeienis heeft of heeft gehad.
Datzelfde geldt voor
mr. Flipse. In zoverre is het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk.
2.3.
De afwijzende beslissing op het gevraagde uitstel is volgens diezelfde aantekeningen genomen door
mr. Merkus.
2.4.
Het schriftelijk verzoek tot wraking bestaat uit elf bladzijden. Op bladzijden 3 en 4 geeft verzoeker aan, waarop zijn verzoek is gebaseerd:
“Kern van het wrakingsverzoek betreft de weigering van de kantonrechter een verband te leggen (althans hiermee rekening te houden), tussen quasi overmacht van feitelijke aard en het door de wetgever in art. 19 Rv Pro geformuleerde “kunnen uitlaten”. Verzoeker heeft immers aangegeven door omstandigheden niet in staat te zijn (geweest) zich adequaat uit te laten over de vordering en de daaraan ten grondslag gelegde motivering.
Deze omstandigheden zijn een verstrekkend gevolg van in eerste instantie de koop van de
[naam 1] bij [naam 2] persoonlijk, het “vonnis” van mr. Flipse in juli 2020 en aansluitend het vonnis van mr. Merkus dat zo mogelijk nog erger was. Oorzaak en gevolg betreft hier het domein van de geestelijke gezondheid en de daar geldende causaliteiten. Verzoeker beroept zich gelet op deze causaliteiten daarom impliciet op onmacht vanwege een geestelijke stoornis, zoals deze zich thans manifesteert op de ingestuurde foto getoonde “help-mijn-man-is-klusser situatie.”
2.5.
Uit het gehele wrakingsverzoek blijkt niet waarom de rechter niet onpartijdig zou zijn geweest bij de behandeling van het verzoek tot uitstel. En evenmin waarom dat zou gelden voor de nog te nemen beslissing in het vonnis, dat naar verwachting op 5 januari 2022 zal worden uitgesproken.
Het enkele feit dat de rechter een procesbeslissing neemt (in dit geval de afwijzing van een verzoek tot uitstel om verweer te kunnen voeren) levert geen grond voor wraking op. Dat is inmiddels vaste rechtspraak sinds de uitspraak van de Hoge Raad van 25 september 2018. [1] Indien verzoeker het met de beslissing van de rechter niet eens is, kan hij dat na een eventueel in te stellen hoger beroep ter toetsing voorleggen aan de rechter die er dan over beslist. Wraking is geen verkapt rechtsmiddel; aan de wrakingskamer komt geen oordeel toe over de juistheid van de tussenbeslissing tot afwijzing van het verzoek.
2.6.
Het wrakingsverzoek moet daarom als kennelijk ongegrond worden afgewezen.
3. Beslissing
De rechtbank
3.1.
verklaart het wrakingsverzoek kennelijk niet-ontvankelijk, voor zover het is gericht tegen mr. M.C. van Rijn en mr. M. Flipse;
3.2.
verklaart het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond, voor zover het is gericht tegen mr. A.E. Merkus;
3.3.
beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de drie genoemde rechters en aan de eisende partij in de hoofdzaak een afschrift van deze beslissing toe te zenden,
3.4.
bepaalt dat de zaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op 21 december 2021 en beveelt daartoe de onmiddellijke mededeling van deze beslissing aan de voorzitter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, team Handel, Kanton en Bewind.
Deze beslissing is gegeven door mr. L.J. Saarloos, voorzitter, mr. B. Voogd, en
mr. N. Boots, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Kliffen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 december 2021.
griffier voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.