Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 31 mei 2021 in de zaken tussen
[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres,
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Op de [locatie] wordt een short-stay vergunning aangevraagd en vrijwel zeker verkregen. Dat betekent dat deze woningen gemeubileerd verhuurd mogen worden voor maximaal 6 maanden.
Huurder, [bedrijf] , is een organisatie die de short-stay verhuur als bedrijfsvoering uitoefent.
Een woning dient gestoffeerd en gemeubileerd worden verhuurd om te voldoen aan de criteria voor short stay verhuur.
Verhuurder levert de woning voorzien van geïsoleerde en gestoffeerde vloeren, de keuken voorzien van alle overeengekomen inbouw apparatuur.
Huurder zorgt voor rekening van verhuurder voor de meubilering en inventaris passend in het bij short stay behorende exploitatie assortiment. De meubelen en overige inventaris zijn en blijven eigendom van [naam 1] .
De verrekening van de daaraan verbonden kosten zal plaats vinden d.m.v. een huurvrije periode bij aanvang van de verhuur.
Verhuurder en huurde[r]
zijn een vaste huurprijs overeengekomen waarin de fluctuatie van laag- en hoogseizoen is verwerkt.
Huurder heeft aangegeven dat het hier gaat om bedrijfsmatige verhuur en dat het bijbehorende tarief 21% van toepassing is.
de Dienst Bouwtoezicht een inspectie heeft uitgevoerd.(…)
De afbouw is inmiddels gereed derhalve ontvangt u bijgaand 5 ingevulde aanvraag formulieren”
- de appartementen mogen verhuurd worden voor een aaneengesloten periode van niet langer dan zes maanden;
- de appartementen mogen niet zo worden verbouwd dat dat deze niet meer geschikt zijn als woonruimte;
3.1 Deze overeenkomst is aangegaan voor de duur van 5 jaar ingaande op 1 okt 2013 en lopende tot en met 30 sep 2018(…)
4.4 Per betaalperiode van één maand bedraagt- de huurprijs € 15.500-(…)
- 21% BTW”
“Met referentie aan eerder gesprekken inzake de Short Stay vergunning voor het bovengenoemde pand het navolgende:Overeenkomstig de richtlijnen en het beleid van de Gemeente [plaats] ten tijde van de officiele aanvraag voor Short Stay vergunning dd. 13 juni 2013 is per die datum vergunning gevraagd voor de appartementen [locatie]Daarvan zijn officieel 4 vergunningen afgegeven en 4 “meldingen” genoteerd voor dit gebouw. Bij navraag waarom de meldingen niet als vergunning zijn afgegeven is door de Dienst van de Gemeente [plaats] medegedeeld dat de melding conform de toe[n]geldende richtlijnen voldoende zijn. Dit is nogmaals verleden week nagevraagd en opnieuw bevestigd.Men heeft daarbij echter benadrukt dat het gebruik voor short stay gebonden is aan daarvoor, u welbekende, geldende regels:Niet meer dan het aantal aangegeven personen per appartementDe tijdsduurGeen overlast voor de omwonendenGeen afval op straat anders dan voor de aangegeven inzamel tijdstippen
Beoordeling van het geschil
7.4 Uitzonderingen op de vrijstelling voor de verhuur van onroerende zaken
2.(...)
De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.”
Beslissing
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag omzetbelasting 2012 tot een bedrag van € 874 en vermindert de rentebeschikking dienovereenkomstig;
- vermindert de verzuimboete 2012 tot € 87;
- vermindert de naheffingsaanslag omzetbelasting 2013 tot een bedrag van € 6.014 en vermindert de rentebeschikking 2013 dienovereenkomstig;
- verminderd de verzuimboete 2013 tot € 601;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.068;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345 aan eiseres te vergoeden.