Partijen zijn gescheiden en de man is verplicht tot betaling van partneralimentatie aan de vrouw. Door de Covid-19 crisis is het resultaat van de transportonderneming van de man in 2020 fors gedaald van circa €86.000 naar €12.859. De man heeft aangetoond dat dit inkomensverlies niet verwijtbaar is en dat hij zich heeft ingespannen om het verlies te beperken.
De vrouw betwist een relevante wijziging van omstandigheden en stelt dat de man niet ontvankelijk is vanwege een niet-wijzigingsbeding. Tevens voert zij aan dat zij niet in staat is om volledig te werken en dat haar nagelsalon slechts minimale inkomsten genereert. De rechtbank oordeelt dat geen niet-wijzigingsbeding geldt en dat de vrouw zich redelijkerwijs tot €400 bruto per maand kan onderhouden.
De rechtbank maakt een getrapte draagkrachtberekening: voor 2021 wordt het gemiddelde van 2018, 2019 en 2020 gehanteerd (€52.675), voor 2022 en daarna het gemiddelde van 2018 en 2019 (€72.583). De partneralimentatie wordt voor 2021 verlaagd naar €516 per maand en voor 2022 en later gehandhaafd op het oude niveau. De wijziging gaat met terugwerkende kracht in vanaf 1 januari 2021.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en partijen kunnen in hoger beroep bij het gerechtshof Amsterdam.