Op 22 maart 2019 legde het Openbaar Ministerie conservatoir beslag op twee onroerende zaken van klager wegens verdenking van (poging tot) oplichting en valsheid in geschriften. De woning te gemeente 1 werd executoriaal verkocht, waarbij de restantopbrengst van €77.216,25 in consignatiekas werd gestort. De woning te gemeente 2 werd onderhands verkocht na opheffing van het beslag tegen zekerheidstelling van €459.219,61.
Klager diende klaagschrift in tot opheffing van het beslag en teruggaaf van de overwaarde. De rechtbank oordeelt dat klager niet-ontvankelijk is in het beklag over de woning te gemeente 2 vanwege de zekerheidstelling en de toepasselijkheid van artikel 552a Sv. Ten aanzien van de woning te gemeente 1 is het beslag komen te rusten op de opbrengst, waardoor klager ontvankelijk is.
De rechtbank stelt vast dat er sprake is van een verdenking waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat een geldboete, ontneming of schadevergoeding zal worden opgelegd. Gezien de reeds gestelde zekerheid van €459.219,61, wordt het beslag opgeheven voor het meerdere boven €19.847,39 en wordt €57.368,86 aan klager teruggegeven.
De rechtbank verklaart het klaagschrift gedeeltelijk gegrond en beveelt de teruggave van dit bedrag. Klager kan tegen deze beschikking beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad binnen veertien dagen na betekening.