Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
(Vgl. HR 19 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB9841.)
3.Beslissing
16 april 2019.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak heeft de klager beklag ingediend tegen het beslag op een bankgarantie die was gesteld als zekerheid ex artikel 118a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) ter zake van een onroerende zaak die eerder in beslag was genomen op grond van artikel 94a Sv. De rechtbank verklaarde het beklag niet-ontvankelijk omdat het beslag op de onroerende zaak was opgeheven na de zekerheidstelling en de bankgarantie zelf niet meer onder beslag stond.
De Hoge Raad herhaalt de vaste rechtspraak dat wanneer een inbeslaggenomen voorwerp na zekerheidstelling aan de beslagene is teruggegeven, het beslag is geëindigd conform artikel 134, tweede lid, onder a, Sv. Het Wetboek van Strafvordering voorziet niet in de mogelijkheid tot beklag tegen de uitvoering van een door het openbaar ministerie aanvaarde zekerheidstelling, zoals een bankgarantie. Voor geschillen over de uitvoering van de zekerheidstelling is de burgerlijke rechter bevoegd.
De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank geen onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven door de klager niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beklag tegen de bankgarantie. Het beroep in cassatie wordt verworpen. Hiermee is bevestigd dat het strafrechtelijk beslag eindigt bij zekerheidstelling en dat het strafprocesrechtelijke beklag niet openstaat tegen de bankgarantie zelf.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het beklag tegen de bankgarantie wordt niet-ontvankelijk verklaard.