Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2019:612

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 april 2019
Publicatiedatum
16 april 2019
Zaaknummer
17/04831
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94a SvArt. 118a SvArt. 134.2.a SvArt. 552a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van beklag tegen beslag op bankgarantie na zekerheidstelling ex art. 118a Sv

In deze zaak heeft de klager beklag ingediend tegen het beslag op een bankgarantie die was gesteld als zekerheid ex artikel 118a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) ter zake van een onroerende zaak die eerder in beslag was genomen op grond van artikel 94a Sv. De rechtbank verklaarde het beklag niet-ontvankelijk omdat het beslag op de onroerende zaak was opgeheven na de zekerheidstelling en de bankgarantie zelf niet meer onder beslag stond.

De Hoge Raad herhaalt de vaste rechtspraak dat wanneer een inbeslaggenomen voorwerp na zekerheidstelling aan de beslagene is teruggegeven, het beslag is geëindigd conform artikel 134, tweede lid, onder a, Sv. Het Wetboek van Strafvordering voorziet niet in de mogelijkheid tot beklag tegen de uitvoering van een door het openbaar ministerie aanvaarde zekerheidstelling, zoals een bankgarantie. Voor geschillen over de uitvoering van de zekerheidstelling is de burgerlijke rechter bevoegd.

De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank geen onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven door de klager niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beklag tegen de bankgarantie. Het beroep in cassatie wordt verworpen. Hiermee is bevestigd dat het strafrechtelijk beslag eindigt bij zekerheidstelling en dat het strafprocesrechtelijke beklag niet openstaat tegen de bankgarantie zelf.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het beklag tegen de bankgarantie wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

16 april 2019
Strafkamer
nr. S 17/04831 B
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 23 juni 2017, nummer RK 17/712, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:
[klager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft L. Bien, advocaat te Maastricht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het middel

2.1.
Het middel klaagt dat de Rechtbank de klager niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn beklag ten aanzien van de bankgarantie.
2.2.
De Rechtbank heeft de klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag, voor zover dat strekt tot opheffing van de door de klager op grond van art. 118a Sv tot zekerheidstelling verstrekte bankgarantie van € 143.000,-. De bestreden beschikking houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
"Het klaagschrift en de aanvulling van het klaagschrift van 22 juni 2017 strekken tot opheffing van het beslag op de onroerende zaak [a-straat 1] te [plaats 1] . Tevens strekken de klaagschriften tot opheffing van de bankgarantie van € 143.000,--.
De rechter heeft kennisgenomen van het dossier met bovenstaand parketnummer en constateert dat de rechter-commissaris op 10 november 2009 een machtiging conservatoir beslag heeft verleend tot een maximumbedrag van € 143.035,--. Als voorwerp vatbaar voor conservatoir beslag wordt de onroerende zaak [b-straat 1] te [plaats 2] genoemd. Uit de stukken blijkt dat op verzoek van klager op 3 december 2010 zekerheid is gesteld voor de onroerende zaak [b-straat 1] te [plaats 2] door middel van een bankgarantie van € 143.000,--.
(...)
De beoordeling
(...)
De rechter is van oordeel dat het klaagschrift ten aanzien van de bankgarantie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. De onderhavige bankgarantie is met instemming van klager en het openbaar ministerie verstrekt in het kader van een zekerheidstelling ex artikel 118a van het Wetboek van Strafvordering. De gestelde zekerheid strekt tot verhaal voor de op te leggen geldboete of verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in de zin van artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering. Na een dergelijke zekerheidstelling is het beslag op de inbeslaggenomen goederen opgeheven en zijn deze goederen teruggegeven aan klager. Het beslag is hiermee geëindigd en er rust geen beslag op de zekerheid in dit geval de bankgarantie. Nu er geen sprake is van beslag op de bankgarantie, is beklag ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering ten aanzien van de bankgarantie niet mogelijk is."
2.3.
Indien een op de voet van art. 94a Sv inbeslaggenomen voorwerp, na een zekerheidstelling als bedoeld in art. 118a Sv, aan de klager is teruggegeven, is daarmee het beslag geëindigd. Dit volgt uit art. 134, tweede lid onder a, Sv. De zekerheidstelling berust op de door de beslagene of een derde aangeboden en door het openbaar ministerie aanvaarde zekerheid als bedoeld in art. 118a, tweede lid, Sv. De gestelde zekerheid strekt dan tot verhaal voor de op te leggen geldboete of verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel in de zin van art. 94a Sv. Voor de bevoegdheid van het openbaar ministerie die geldboete of dat ontnemingsbedrag te verhalen op de gestelde zekerheid is het dan ook niet nodig dat zou worden aangenomen dat, ondanks beëindiging van het beslag door teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen, strafvorderlijk conservatoir beslag is komen te rusten of blijven rusten op die zekerheid. Het Wetboek van Strafvordering kent ook niet een bepaling waarin in zodanig beslag op de gestelde zekerheid is voorzien. Art. 552a Sv voorziet niet in de mogelijkheid tot beklag over (de uitvoering van) de door het openbaar ministerie aanvaarde zekerheidstelling. Voor geschillen omtrent de uitvoering van de overeengekomen zekerheidstelling, de teruggave daaronder begrepen, is de burgerlijke rechter bevoegd.
(Vgl. HR 19 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB9841.)
2.4.
De Rechtbank heeft, blijkens haar hiervoor onder 2.2 weergegeven overwegingen, onder meer vastgesteld dat ten aanzien van de onroerende zaak [b-straat 1] te [plaats 2] met instemming van de klager en het openbaar ministerie zekerheid is gesteld als bedoeld in art. 118a Sv door middel van een bankgarantie. Gelet hierop en in aanmerking genomen hetgeen onder 2.3 is vooropgesteld, geeft het oordeel van de Rechtbank dat de klager niet-ontvankelijk is in zijn beklag, voor zover dat strekt tot opheffing van de door de klager tot zekerheidstelling verstrekte bankgarantie, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.
2.5.
Het middel faalt.

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
16 april 2019.