ECLI:NL:RBNHO:2020:7869
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot kinderbijdrage biologische vader naast juridische vader
De vrouw verzocht de rechtbank om de man, de biologische vader van de minderjarige, te verplichten een hogere kinderbijdrage te betalen dan de reeds vastgestelde bijdrage, ondanks dat de minderjarige is erkend door een andere man, de juridische vader. De vrouw stelde dat de man financieel bij moest dragen omdat de juridische vader geen rol speelt in het leven van het kind en geen bijdrage levert.
De man voerde verweer en stelde dat hij niet langer onderhoudsplichtig is sinds de erkenning door de juridische vader en dat hij geen draagkracht heeft voor een bijdrage. De rechtbank oordeelde dat volgens artikel 1:394 BW Pro de onderhoudsverplichting van de biologische vader vervalt zodra het kind een juridische vader heeft, tenzij er sprake is van een gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro dat een positieve verplichting tot onderhoud oplegt.
De rechtbank stelde vast dat er geen family life bestaat tussen de man en het kind, dat er al jaren geen omgang is en dat de vrouw niet heeft onderbouwd waarom zij de juridische vader niet kan aanspreken. Ook ontbrak bewijs dat de juridische vader niet in staat is bij te dragen. Daarom is het verzoek afgewezen en is de man niet langer onderhoudsplichtig.
Uitkomst: Het verzoek tot kinderbijdrage van de biologische vader wordt afgewezen omdat de onderhoudsplicht vervalt door erkenning door de juridische vader.