ECLI:NL:RBNHO:2020:6880
Rechtbank Noord-Holland
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek opheffing BEM clausule voor gebruik vermogen minderjarigen
De kantonrechter heeft kennisgenomen van het verzoek van Saillant B.V., bewindvoerder van een meerderjarige onder bewind staande vrouw, om de BEM clausule op de rekeningen van haar minderjarige kinderen op te heffen. De kinderen hebben ieder een erfenis van €10.000 ontvangen die op een geblokkeerde rekening staat. De moeder heeft een inkomen onder bijstandsniveau en heeft een aanvullende bijstandsuitkering aangevraagd. De gemeente Purmerend stelt dat het vermogen van de kinderen eerst moet worden opgesoupeerd voordat recht op bijstand bestaat.
De kantonrechter oordeelt dat de bewindvoerder bevoegd is om dit verzoek in te dienen en dat de opheffing van de BEM clausule alleen kan worden toegestaan indien dit in het belang van de minderjarige is. De BEM clausule is bedoeld om te waarborgen dat het vermogen van minderjarigen alleen wordt besteed aan hun persoonlijke nut en niet aan het levensonderhoud van de ouders.
De kantonrechter verwijst naar artikel 1:392 BW Pro waarin een onderhoudsverplichting van kinderen jegens behoeftige ouders is neergelegd, maar stelt dat deze verplichting niet zo ver gaat dat minderjarige kinderen hun gehele vermogen moeten inzetten voor het onderhoud van hun ouders. Er wordt een minimumvermogen van €30.000 gehanteerd dat op de rekening moet blijven staan voordat opheffing kan worden overwogen.
Aangezien het vermogen van de kinderen slechts €10.000 per kind bedraagt, wordt het verzoek om opheffing van de BEM clausule afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om opheffing van de BEM clausule op de rekeningen van de minderjarige kinderen wordt afgewezen.