ECLI:NL:RBNHO:2020:4413
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op absorptietheorie en gelijkheidsbeginsel bij kwalificatie inkomsten acteur
Eiser, een acteur die inkomsten genoot uit arbeidsovereenkomsten en zelfstandige werkzaamheden, betwistte de kwalificatie van zijn inkomsten door de Belastingdienst. De inspecteur had de inkomsten uit dienstbetrekking als loon aangemerkt en de overige inkomsten als winst uit onderneming. Eiser voerde aan dat op grond van de absorptietheorie de looninkomsten tot de winst moesten worden gerekend, en stelde tevens dat het gelijkheidsbeginsel was geschonden.
De rechtbank overwoog dat de absorptietheorie vereist dat de werkzaamheden in dienstbetrekking een ondergeschikte plaats innemen ten opzichte van de ondernemersactiviteiten. Gezien de nagenoeg gelijke verdeling van inkomsten kon dat niet worden aangenomen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat in vergelijkbare gevallen de looninkomsten via absorptie als winst waren gekwalificeerd.
De rechtbank verwees naar eerdere jurisprudentie van het gerechtshof Amsterdam en concludeerde dat eiser onvoldoende bewijs had geleverd. Ook het betoog dat sprake was van begunstigend beleid werd niet aannemelijk geacht. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de kwalificatie van inkomsten als loon en winst blijft gehandhaafd.