Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 23 januari 2020 in de zaken tussen
[X] , wonende te [Z] , eiser,
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
wateiser heeft overgedragen aan [G] B.V.
- eiser heeft de exploitatie van zijn tankstation voor de duur van minstens tien jaren verhuurd aan [E] tegen een vaste, jaarlijks te indexeren huursom van € 180.000 per jaar en een variabele uurvergoeding van € 0,03 per alle omgezette eenheden motorbrandstoffen boven de 3.000.000 omgezette eenheden per jaar;
- met de overeenkomst tussen eiser en [G] B.V. is er geen wijziging beoogd in de overeenkomst tussen [E] en eiser en daarmee de rechtsverhouding tussen [E] en eiser;
- [G] B.V. heeft geen zelfstandig afdwingbaar recht ten opzichte van [E] verworven;
- eiser blijft de volledige vergoeding van [E] incasseren en verplicht zich om daarvan een deel aan [G] B.V. te betalen. Artikel 1.2 van de overeenkomst van overdracht spreekt in dit verband zowel van betaling per kwartaal van een kwart deel van de jaarlijkse vergoeding als van betaling van een derde deel onder aftrek van nader te specificeren kosten;
- een nadere specificatie van de kosten is niet gegeven;
- in de overeenkomst van overdracht is niets geregeld over verdeling van inkomsten en kosten na afloop van de overeenkomst met [E] ;
- de overeenkomst van overdracht heeft blijkens artikel 2.1 geen betrekking op materiële vaste activa, voorraden en dergelijke.
Beslissing
mr. G.H. de Soeten, leden, in aanwezigheid van mr. B. Schaafsma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2020.