Eiser, werkzaam als operationeel manager bij Detentiecentrum Schiphol, werd ontslagen wegens ernstig plichtsverzuim na een incident waarbij hij disproportioneel geweld toepaste op een gedetineerde. Het ontslag volgde op een intern onderzoek en een advies van een psychiater die vaststelde dat eiser PTSS had, maar wel toerekeningsvatbaar was.
De rechtbank beoordeelde acht gedragingen, waarvan vier (het toepassen van geweld en het niet volgen van de trapprocedure) plichtsverzuim opleverden. Hoewel eiser erkende deze gedragingen, stelde hij dat het gedrag van de gedetineerde zijn optreden rechtvaardigde. De rechtbank vond echter geen rechtvaardiging voor het geweld en concludeerde dat het plichtsverzuim aan eiser kon worden toegerekend.
De rechtbank erkende dat eiser door zijn PTSS kwetsbaar was en dat verweerder hier onvoldoende rekening mee had gehouden bij het opleggen van het ontslag. Gezien de ernst van het plichtsverzuim was een disciplinaire straf passend, maar het ontslag werd als te zwaar beoordeeld. Daarom werd het beroep gegrond verklaard, het ontslagbesluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen, waarbij een salariskorting mogelijk is.
Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiser. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Rechtbank Noord-Holland op 31 januari 2019.