ECLI:NL:RBNHO:2019:3574
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding en wederzijdse zorg
Eiser 1 ontving bijstand sinds november 2013, die tijdelijk werd beëindigd vanwege detentie. Na een huisbezoek en onderzoek ontstond twijfel over een gezamenlijke huishouding met eiser 2. Dit leidde tot een uitgebreid onderzoek door de Sociale Recherche, inclusief verhoren, buurtonderzoek en analyse van bankgegevens en waterverbruik.
Verweerder trok de bijstand van eiser 1 in over de periode van november 2013 tot april 2018 en vorderde het bedrag van €62.414,13 terug, mede van eiser 2 die hoofdelijk aansprakelijk werd gesteld. Eisers betwistten dat sprake was van een gezamenlijke huishouding en wederzijdse zorg, onder meer door te wijzen op aparte inschrijvingen, beëindiging gezamenlijke bankrekening en beperkte financiële transacties.
De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende bewijs had geleverd dat eiser 2 zijn hoofdverblijf had in de woning van eiser 1 en dat sprake was van wederzijdse zorg. Dit bleek uit verklaringen van buurtbewoners, eigen verklaringen van eiser 2, pintransacties in Purmerend, hoog waterverbruik, en gezamenlijke zorgactiviteiten. Hierdoor was sprake van een gezamenlijke huishouding en had eiser 1 zijn inlichtingenplicht geschonden.
Op grond van de Participatiewet was verweerder bevoegd de bijstand in te trekken en de ten onrechte betaalde bedragen terug te vorderen. De beroepen van eisers werden ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De beroepen van eisers worden ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.