De rechtbank Noord-Holland heeft op 14 februari 2019 uitspraak gedaan in een zaak waarin de Raad voor de Kinderbescherming verzocht om het ouderlijk gezag van de vader over een minderjarige te beëindigen. De minderjarige verblijft sinds september 2016 bij haar vader in India, nadat zij zonder toestemming van de moeder was overgebracht vanuit Nederland. De moeder oefende het gezag uit en de rechtbank was bevoegd op grond van de gewone verblijfplaats van het kind in Nederland.
De vader voerde verweren aan over internationale en relatieve bevoegdheid, erkenning van Indiase beslissingen en procedurele bezwaren, waaronder het verzoek tot prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. De rechtbank verwierp deze verweren en oordeelde dat de Nederlandse rechter bevoegd is en dat de Indiase beslissingen niet definitief zijn. Ook werd geen aanhouding van de procedure toegepast wegens lopende procedures in India.
Inhoudelijk oordeelde de rechtbank dat de situatie van de minderjarige ernstig bedreigend is voor haar emotionele ontwikkeling, doordat zij langdurig gescheiden is van haar moeder en zus en er geen structureel contact is. De vader informeert de moeder niet over het welzijn van het kind en is niet in staat het contact te faciliteren. Dit leidt tot de conclusie dat het gezag van de vader beëindigd moet worden en dat de moeder voortaan het eenhoofdig gezag zal uitoefenen.
De uitspraak benadrukt het belang van het beschermen van het belang van het kind, ook in internationale contexten, en bevestigt dat het Nederlandse recht van toepassing is. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam.