Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.De procedure
- het tussenvonnis van 7 februari 2018 en de daarin genoemde processtukken;
- het proces-verbaal van comparitie van 6 september 2018.
Rechtbank Noord-Holland
Partijen, die gedurende vijf jaar een affectieve relatie hadden zonder huwelijkscontract, kochten samen een woning die na beëindiging van hun relatie verdeeld moest worden. De man wilde de woning overnemen tegen een waarde van € 685.000,-, terwijl de vrouw een hogere waarde van € 925.000,- tot € 950.000,- aanvoerde en bij overname door de man verkoop aan een derde vorderde.
De rechtbank oordeelde dat de peildatum voor de waardering de datum van verdeling is, omdat partijen geen andere datum overeenkwamen en redelijkheid en billijkheid geen afwijking rechtvaardigen. De huidige waarde van de woning kon niet worden vastgesteld aan de hand van de stukken, daarom werd een taxatie door een onafhankelijke NVM-makelaar bevolen.
De investeringen van de man in de woning werden vastgesteld op € 198.000,-, terwijl de vrouw slechts € 20.000,- aan investeringen werd toegerekend, ondanks haar hogere aanspraken. De beleggingsleer van artikel 1:87 BW Pro werd niet toegepast omdat partijen geen huwelijkscontract hadden en geen andere afspraken bestonden.
De vrouw vorderde een gebruiksvergoeding voor het gebruik van de woning door de man, maar dit werd afgewezen omdat zij de woning had verlaten en de man sindsdien alle lasten betaalde. De zaak werd aangehouden voor verdere beslissing na taxatie van de woning.
Uitkomst: De woning wordt getaxeerd en toegewezen aan de man of verkocht indien overname niet mogelijk is, investeringen worden nominaal vergoed en gebruiksvergoeding wordt afgewezen.