Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 12 oktober 2018 in de zaak tussen
[X] , wonende te [Z] , eiser
de heffingsambtenaar van de gemeente Heemskerk, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Feiten
.
Rechtbank Noord-Holland
De zaak betreft een geschil over de waardering van een onroerende zaak voor het kalenderjaar 2016, waarbij eiser mede-eigenaar is van een pand dat deels wordt gebruikt door een kadoshop. De WOZ-waarde was aanvankelijk vastgesteld op €73.000, maar na bezwaar van de gebruiker verlaagd naar €53.000. Eiser stelde beroep in tegen deze uitspraak op bezwaar.
De rechtbank oordeelt dat het primaire besluit en de uitspraak op bezwaar niet aan eiser waren gericht, waardoor hij geen bevoegdheid had om beroep in te stellen. Hoewel eiser geen bezwaar had gemaakt tegen de aan hem gerichte beschikking, stond dit niet aan de ontvankelijkheid van zijn beroep in de weg vanwege omstandigheden rondom de kennisname van het bezwaar van de kadoshop.
Echter, het belang dat eiser stelt te hebben, namelijk benadeling in de verkoop van zijn aandeel door de lagere WOZ-waarde, wordt niet als een rechtens te respecteren belang onder de Wet WOZ aangemerkt. De rechtbank wijst ook het argument af dat de WOZ-waarde doorslaggevend zou zijn voor de verkoopprijs, mede omdat het waarderingspeil anders is.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Wel wordt het betaalde griffierecht van €46 aan eiser vergoed omdat de heffingsambtenaar niet aan zijn informatieve verplichtingen had voldaan.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan bevoegdheid en ontbreken van een rechtens te respecteren belang.