Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 13 februari 2018 in de zaak tussen
[X] B.V., gevestigd te [Z] , eiseres,
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Geschil11. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Daartoe dient te worden beoordeeld of verweerder terecht heeft geconcludeerd dat ten aanzien van het stamrecht sprake is van een handelen in strijd met artikel 19b van de Wet LB vanwege afkoop van het stamrecht. Verweerder stelt dat gezien de onttrekkingen van in totaal € 130.000 euro sprake is van afkoop omdat de DGA feitelijk direct de beschikking had over het gehele bedrag van het ten titel van stamrecht voldane bedrag, terwijl er onvoldoende zekerheden waren bedongen waardoor sprake was van een onzakelijke geldlening.
€ 130.000 tussen 5 en 12 oktober 2011) naar de betaalrekening van de werknemer, heeft verweerder terecht geoordeeld dat de werknemer direct de beschikking had over de gelden die bestemd waren voor het stamrecht. De door eiseres gestelde omstandigheid dat sprake was van een lening kan al daarom niet tot een andere conclusie leiden omdat deze lening, zoals hiervoor is overwogen, niet voldeed aan zakelijke voorwaarden, omdat er geen effectief onderpand was en ook overigens niet is gebleken van reële zekerheden.Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden ten aanzien van de leningsovereenkomst heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat sprake is van een afkoop van de aanspraak in het jaar 2011. Op grond van artikel 19b, eerste lid, aanhef en onder b, heeft verweerder aldus terecht de aanspraak op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip aangemerkt als loon uit een vroegere dienstbetrekking van de werknemer. Verweerder was aldus bevoegd een naheffingsaanslag op te leggen, nu niet in geding is dat eiseres geen aangifte heeft gedaan.