ECLI:NL:RBNHO:2017:9738

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
17 november 2017
Publicatiedatum
21 november 2017
Zaaknummer
C/15/264612 / KG ZA 17-757
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • S. Sicking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 237 RvArt. 3 lid 1 Wgbz
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking kort geding tussen moeder en dochter

In deze civiele zaak tussen moeder en dochter heeft eiseres een kort geding aangespannen met de vordering dat een steeg achter haar woning vrij toegankelijk moet blijven. Na ontvangst van producties van gedaagde, waaronder foto’s die de feitelijke situatie weergeven, trekt eiseres haar vorderingen kort voor de zitting in. Gedaagde verzoekt om doorzetting van de zitting voor een beslissing over de proceskosten.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het kort geding niet vervalt door de intrekking omdat gedaagde een beslissing over de kosten wenst. De rechter stelt vast dat eiseres onjuiste stellingen heeft gebruikt en het kort geding heeft ingetrokken nadat deze onjuistheden aan het licht kwamen, waardoor gedaagde onnodig kosten heeft moeten maken voor juridische bijstand.

De proceskosten worden begroot op €550,50, bestaande uit griffierecht en advocaatkosten, en worden aan eiseres opgelegd. Een compensatie wegens de familieband wordt afgewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en er is mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitkomst: Eiseres wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van gedaagde ter hoogte van €550,50.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht
Zittingsplaats Haarlem
zaaknummer / rolnummer: C/15/264612 / KG ZA 17-757
Vonnis in kort geding van 17 november 2017
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [woonplaats],
eiseres,
advocaat mr. E. Nagtegaal te Zaandam,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde,
advocaat mr. J.N. Heeringa te Amsterdam.
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding met de producties 1 tot en met 8;
  • de namens [gedaagde] bij brief van 7 november 2017 en 8 november 2017 ingediende producties 1 tot en met 3;
  • de brief van mr. Nagtegaal namens [eiseres] van 9 november 2017;
  • de faxbrief van mr. Heeringa namens [gedaagde] van 9 november 2017;
  • de mondelinge behandeling.
1.2.
Ter terechtzitting van 10 november 2017 zijn verschenen:
- mr. J. Jong als vervanger van mr. Nagtegaal voornoemd;
- [gedaagde] in persoon, bijgestaan door mr. M.A. van Ooijen en mr. Heeringa voornoemd.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiseres] en [gedaagde] zijn respectievelijk moeder en dochter.
2.2.
[eiseres] heeft [gedaagde] bij exploit van 10 oktober 2017 gedagvaard in kort geding tegen de zitting van 10 november 2017. [eiseres] heeft, kort samengevat, onder meer gevorderd dat de steeg die toegang geeft tot de achterkant van haar woning vrij toegankelijk wordt gehouden en wordt vrijgehouden van obstakels.
Bij brieven van 7 en 9 november 2017 heeft [gedaagde] een aantal producties, waaronder foto’s, in het geding gebracht, die onder meer de feitelijke situatie in en rondom de steeg en de woningen van partijen weergeven.
2.3.
[eiseres] heeft de voorzieningenrechter en [gedaagde] op 9 november 2017 – dat wil zeggen één dag voor de behandeling in kort geding – laten weten dat zij haar vorderingen om haar moverende redenen intrekt. [gedaagde] heeft de voorzieningenrechter vervolgens bij faxbrief van dezelfde datum verzocht de mondelinge behandeling te laten doorgaan dan wel [eiseres] ondanks de familiebetrekkingen tussen partijen te veroordelen in de reguliere proceskosten.
2.4.
De voorzieningenrechter heeft naar aanleiding van het verzoek van [gedaagde] besloten om de mondelinge behandeling te laten doorgaan.

3.Het geschil en de beoordeling

3.1.
Het gaat in deze zaak nog slechts om een beslissing over de kosten van het kort geding. Bij de beoordeling daarvan strekt hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 3 juni 2016 (ECLI:NL:HR:2016:1087) tot uitgangspunt. Daarin is bepaald dat wanneer eiser het kort geding intrekt, zoals in dit geval is gebeurd, de aanhangigheid van het kort geding niet komt te vervallen indien gedaagde tijdig meedeelt dat het geding desondanks door moet gaan omdat hij een beslissing over de proceskosten verlangt, zoals gedaagde in dit geval heeft gedaan. Gelet op dit uitgangspunt heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden waarin partijen zich over de proceskosten hebben uitgelaten.
3.2.
[gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat [eiseres] – ondanks de familierelatie - de proceskosten hoort te dragen, omdat [eiseres] haar nodeloos op kosten heeft gejaagd door een kort geding aan te spannen en dat weer in te trekken. [gedaagde] beroept zich daarbij op artikel 237, eerste lid, laatste volzin van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv.).
3.3.
[eiseres] daarentegen vindt dat de familierelatie tussen partijen meebrengt dat de proceskosten tussen hen moeten worden gecompenseerd op de voet van datzelfde artikellid. [eiseres] voert daarbij aan dat de producties van de wederpartij pas op een laat moment zijn verkregen, namelijk twee tot drie dagen voor de mondelinge behandeling in kort geding. Die producties hebben de onjuistheid van een aantal stellingen in de dagvaarding omtrent de feitelijke situatie ter plaatse aan het licht gebracht, waarna de dagvaarding is ingetrokken. Door het late tijdstip van ontvangst van de producties kon het besluit tot intrekking niet eerder worden genomen.
3.4.
Voor zover met de opmerking over het late tijdstip van indienen van producties in feite wordt betoogd dat [eiseres] die producties te laat heeft ontvangen, verwijst de voorzieningenrechter naar artikel 6.2 van het Landelijk procesreglement kort gedingen (Staatscourant nr. 4260, 31 januari 2017): stukken die binnen 24 uur (één werkdag) vóór de terechtzitting worden ingediend worden in beginsel buiten beschouwing gelaten. Dat brengt mee dat stukken die eerder, in dit geval twee of drie dagen voor de zittingsdatum, worden ingediend in beginsel geacht worden tijdig te zijn ingediend.
3.5.
Voor zover met de opmerking over het late tijdstip van indienen een verklaring wordt gegeven voor het late tijdstip van intrekken van het kort geding, dan is die verklaring plausibel, maar laat zij onverlet hetgeen hierna wordt overwogen over de proceskosten.
3.6.
Door [gedaagde] in de onderhavige procedure te betrekken heeft [eiseres] haar genoodzaakt zich juridisch te laten bijstaan. De advocaat van [gedaagde] heeft onderzoek naar de feiten verricht, bijbehorende producties verzameld en ingediend en de mondelinge behandeling voorbereid. [gedaagde] heeft hiervoor kosten moeten maken. De vraag of deze kosten nodeloos zijn veroorzaakt door [eiseres] beantwoordt de voorzieningenrechter bevestigend.
3.7.
Daartoe is redengevend dat uit de gang van zaken in elk geval kan worden afgeleid dat [eiseres] haar vorderingen in kort geding heeft gebaseerd op een aantal onjuiste stellingen omtrent de feitelijke situatie ter plaatse en dat [eiseres] het kort geding heeft ingetrokken nadat die onjuistheid door de toegezonden producties aan het licht kwam. De voorzieningenrechter vindt het aannemelijk dat het kort geding is ingetrokken niet alleen nadat maar ook omdat die onjuistheid is gebleken. Daarbij speelt ook een rol dat [eiseres] voor de intrekking geen andere reden heeft opgegeven dan (de advocaat) moverende redenen. Van [eiseres] had mogen worden verwacht dat zij haar vorderingen niet baseert op stellingen over de situatie ter plaatse die eenvoudigweg door middel van een foto als onjuist moeten worden aangemerkt. Nu zij dat wel heeft gedaan en bovendien geen deugdelijke verklaring heeft gegeven voor het intrekken van het kort geding bij de gebleken onjuistheid van haar stellingen, moet worden geconcludeerd dat [eiseres] [gedaagde] onnodig in rechte heeft betrokken. De kosten die [gedaagde] heeft moeten maken ter voorbereiding op haar verweer worden daarom beschouwd als nodeloos veroorzaakt.
3.8.
Met het voorgaande is ook gegeven dat de voorzieningenrechter voor compensatie wegens familierelatie in dit geval geen aanleiding ziet.
3.9.
Wat betreft de hoogte van de proceskosten overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Volgens de Hoge Raad leent het Liquidatietarief (met betrekking tot bodemprocedures) zich voor begroting van de hoogte van het salaris van een advocaat in een geval als hier aan de orde. Het Liquidatietarief gaat uit van een vergoeding van minimaal 0,5 punt in een situatie als hier aan de orde.
3.10.
In kort gedingprocedures (niet zijnde procedures over intellectuele eigendomsrechten) bedraagt het salaris van een advocaat gewoonlijk € 527, - voor een relatief eenvoudige procedure. De onderhavige procedure is, zo valt af te leiden uit de concept dagvaarding, een relatief eenvoudige procedure. De voorzieningenrechter begroot het salaris van de advocaat van [gedaagde] op 0,5 x € 527, -. Dit is € 263,50. In dit oordeel wordt betrokken dat er bij gebreke van enige specificatie van [gedaagde] geen aanleiding bestaat om een hoger bedrag toe te wijzen.
3.11.
Nu de voorzieningenrechter op het geschil over de proceskosten beslist, zijn beide partijen op grond van artikel 3 lid 1 Wgbz Pro (alsnog) griffierecht verschuldigd. De hoogte van het griffierecht voor [eiseres] wordt begroot op € 78, - en het griffierecht voor [gedaagde] op € 287, - zijnde het griffierecht in kort geding voor respectievelijk onvermogenden en natuurlijke personen bij een zaak met een vordering van onbepaalde waarde. Nu [gedaagde] dit bedrag verschuldigd is geworden om de gemaakte kosten ter voorbereiding op het kort geding (deels) vergoed te krijgen, zal [eiseres] ook worden veroordeeld tot betaling van deze kosten.
3.12.
[eiseres] zal in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht € 287,00
- salaris advocaat
€ 263,50
Totaal € 550,50

4.De beslissing

De voorzieningenrechter
4.1.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 550,50,
4.2.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Sicking en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. D. Schelvis op 17 november 2017. [1]
Tegen dit vonnis kan hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam binnen vier weken na de dag van de uitspraak. Het beroep moet worden ingesteld door tussenkomst van een advocaat.
Als het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, heeft het vonnis al wel geldende werking zolang op het (eventuele) beroep niet is beslist.

Voetnoten

1.Conc.: