Verzoekster heeft verzocht om preventieve handhaving tegen de kap van zestien bomen door Natuurmonumenten op het terrein bij Fort Uitermeer, stellende dat deze werkzaamheden de Wet natuurbescherming (Wnb) zullen overtreden.
De Staatssecretaris van Economische Zaken wees het handhavingsverzoek af, waarna Gedeputeerde Staten van Noord-Holland (GS) het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaarden. Verzoekster stelde dat de werkzaamheden onder meer de bescherming van diverse vleermuissoorten, ringslang, rugstreeppad, waterspitsmuis, vis- en libellensoorten en plantensoorten zouden schenden.
De voorzieningenrechter oordeelde dat op basis van de door GS en Natuurmonumenten overgelegde onderzoeken en de wijze van uitvoering van de werkzaamheden niet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden vastgesteld dat overtreding van de Wnb zal plaatsvinden. De kap wordt zorgvuldig uitgevoerd, waarbij verstoring van verblijfplaatsen wordt voorkomen. De rapporten van verzoekster boden onvoldoende bewijs voor een dreigende overtreding.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.