ECLI:NL:RBNHO:2017:4379

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
10 maart 2017
Publicatiedatum
29 mei 2017
Zaaknummer
AWB - 15 _ 3633
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992artikel 110 VWEU
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering naheffingsaanslag BPM wegens schending gelijkheidsbeginsel en EU-recht

Eiseres betaalde BPM voor een Volvo V40 als gebruikte auto, maar de Belastingdienst stelde dat het een nieuwe auto betrof en legde een hogere naheffingsaanslag op. De kern van het geschil was of het BPM-tarief van 2015 of het lagere tarief van 2014 moest worden toegepast.

De rechtbank stelde vast dat volgens arresten van de Hoge Raad sprake was van een nieuwe auto. Eiseres betoogde dat het tarief van 2014 moest gelden, omdat vergelijkbare nieuwe auto's in 2015 tegen het lagere tarief waren aangeslagen, wat een schending van het gelijkheidsbeginsel en artikel 110 VWEU Pro opleverde.

De Belastingdienst erkende dat 12 vergelijkbare voertuigen tegen het lagere tarief waren aangeslagen, maar voerde aan dat de aangiften in 2014 waren gedaan. De rechtbank oordeelde dat het belastbare feit zich in 2015 voordeed en dat de toepassing van het hogere tarief op eiseres leidde tot ongeoorloofde discriminatie.

Daarom werd het beroep gegrond verklaard, de naheffingsaanslag verminderd tot € 360 en de uitspraak op bezwaar vernietigd. Tevens werd het betaalde griffierecht aan eiseres vergoed.

Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM is verminderd tot € 360 wegens schending van het gelijkheidsbeginsel en EU-recht.

Uitspraak

Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats Haarlem
zaaknummer: HAA 15/3633

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

10 maart 2017 in de zaak tussen

[X] B.V., te [Z] , eiseres(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),

en
de inspecteur van de Belastingdienst Centrale Administratieve Processen, kantoor Emmen,verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 30 juli 2015 op het bezwaar van eiseres tegen de naheffingsaanslag belastingen van personenauto’s en motorrijwielen (de naheffingsaanslag).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2017.
Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde mr. S.M. Bothof. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. van Veen en mr. N. Seinen. Ter zitting zijn tevens de zaken van eiseres met de nummers HAA 15/4431 en HAA 15/4427 behandeld.

Beslissing

De rechtbank
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 360 en bepaalt dat deze uitspraak in
zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 331 aan eiseres te vergoeden.

Overwegingen

1. Eiseres heeft op 21 april 2015 ter zake van de registratie in het kentekenregister van een Volvo V40 (de auto) op aangifte € 733 belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) voldaan. Zij is bij de berekening van dit bedrag er vanuit gegaan dat sprake is van een gebruikte auto.
2. Verweerder heeft de verschuldigde bpm berekend op € 2.164 omdat volgens hem sprake is van een nieuwe auto aangezien de kilometerstand bij aangifte 52 was.
3. Tussen partijen is niet langer in geschil dat sprake is van een nieuwe auto, gezien de arresten van de Hoge Raad van 27 januari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:78 en ECLI:NL:HR:2017:79). Eiseres stelt echter dat de verschuldigde belasting desalniettemin moet worden berekend naar het tarief zoals dit gold in 2014.
4. Op grond van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen wordt, voor zover hier van belang, bpm geheven ter zake van de registratie van een personenauto in het kentekenregister en is voor de berekening van de verschuldigde bpm het tarief van toepassing dat geldt op het tijdstip waarop het belastbare feit zich voordoet. De auto is in 2015 geregistreerd, zodat verweerder in beginsel terecht het tarief van 2015 heeft gehanteerd.
5. Eiseres heeft een overzicht (het overzicht) overgelegd afkomstig uit het Nederlandse kentekenregister waaruit kan worden opgemaakt dat 12 referentievoertuigen die in 2015 voor het eerst in Nederland in gebruik zijn genomen niet in de heffing van de bpm zijn betrokken naar het tarief van 2015, maar naar het tarief van 2014. Dit leidt volgens eiseres tot fiscale discriminatie in de zin van artikel 110 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).
6. Verweerder heeft ter zitting erkend dat uit het overzicht blijkt dat ter zake van 12 op de binnenlandse markt aangekochte, vergelijkbare nieuwe personenauto’s bij registratie in dezelfde periode (2015) een lager bedrag aan bpm is geheven. Als verklaring hiervoor heeft hij aangevoerd dat de aangiften voor de desbetreffende referentievoertuigen vermoedelijk reeds in 2014 zijn gedaan. Dat doet er echter niet aan af dat voor deze referentievoertuigen het belastbare feit zich heeft voorgedaan in 2015 en dat daarop het tarief van 2014 is toegepast. Dat betekent dat de naheffingsaanslag tot gevolg heeft dat voor de registratie van de auto een hogere belasting wordt geheven dan voor de registratie van vergelijkbare nieuwe personenauto’s. Aldus is sprake van een ongeoorloofde schending van het Unierecht.
7. Gezien het voorgaande is het beroep gegrond verklaard. Niet in geschil is dat de belasting berekend naar het tarief van 2014 € 1.093 bedraagt, zodat de naheffingsaanslag is verminderd naar € 360.
8. De rechtbank heeft onderhavige zaak aangemerkt als samenhangend met de beroepen van eiseres met de zaaknummers HAA 15/4431 en HAA 15/4427 en de proceskostenvergoeding voor deze samenhangende zaken toegekend in de zaak met nummer HAA 15/4431.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.L. Scholte, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2017.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,
1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.