ECLI:NL:RBNHO:2016:1313

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
29 januari 2016
Publicatiedatum
18 februari 2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 3261
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.M. Janse van Mantgem
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens onduidelijke machtiging bij Wob-verzoek

Eiser heeft een beroep ingesteld tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oostzaan inzake een Wob-verzoek. Het primaire verzoek was toegewezen, maar het bezwaar tegen dat besluit werd ongegrond verklaard, waarna beroep werd ingesteld.

De rechtbank stelde ambtshalve de ontvankelijkheid van het beroep vast. Volgens artikel 6:5 Awb Pro moet een beroepschrift ondertekend zijn door de indiener of diens gemachtigde met een schriftelijke machtiging. De rechtbank constateerde dat de machtiging was voorzien van een handtekening die identiek was aan eerdere handtekeningen van eiser, wat ongebruikelijk is.

De gemachtigde kon geen 'nat' getekende machtiging overleggen en gaf aan dat de handtekening was gescand en onder de machtiging was geplakt. Hierdoor kon niet worden vastgesteld of de gemachtigde daadwerkelijk bevoegd was. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.

Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door rechter Janse van Mantgem en griffier Van Steenoven op 29 januari 2016. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een verifieerbare machtiging.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 15/3261

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 januari 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oostzaan, verweerder

(gemachtigde: mr. O.C. Overmars).

Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder een door [eiser] (hierna: [eiser] ) ingediend verzoek om toezending van informatie in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) toegewezen.
Bij besluit van 9 juni 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen het bestreden besluit is beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2015. [naam] (hierna: [naam] ), die zich namens eiser heeft gesteld, is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of het beroep ontvankelijk is.
2. In artikel 6:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is bepaald dat het bezwaar- of beroepschrift wordt ondertekend en ten minste bevat:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar of beroep is gericht;
d. de gronden van het bezwaar of beroep.
3. De rechtbank overweegt in lijn met het arrest van de Hoge Raad van 10 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:2 dat in voornoemd artikel met ‘indiener’ wordt bedoeld degene die voor zichzelf beroep instelt of degene namens wie beroep wordt ingesteld.
Ondertekening van het beroepschrift dient als bewijs dat het geschrift door of namens de indiener is opgesteld. Is het beroepschrift niet door de indiener zelf (mede)ondertekend maar slechts door degene die bij het beroepschrift stelt daartoe te zijn gemachtigd, dan is daarmee dit bewijs niet geleverd indien bij dat beroepschrift geen schriftelijke machtiging wordt overgelegd. In zoverre kleeft dan aan het beroepschrift een gebrek.
4. Op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van Pro de Awb of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
5. De rechtbank stelt vast dat de door [naam] op 12 augustus 2015 overgelegde machtiging voorzien is van een handtekening die volledig identiek is aan de handtekeningen van [eiser] onder het Wob verzoek van 3 november 2015 en het bezwaarschrift van 29 januari 2015, hetgeen voor drie onafhankelijk van elkaar gezette handtekeningen ongebruikelijk is.
6. Bij brief van 16 november 2015 heeft de rechtbank [naam] in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op de dag van de zitting een “nat” getekende machtiging te overleggen, dan wel een toelichting te geven op de wijze waarop de handtekening en de machtiging tot stand zijn gekomen. In deze brief is nadrukkelijk vermeld dat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren indien het geconstateerde verzuim niet tijdig wordt hersteld.
7. Ter zitting heeft [naam] verklaard dat hij niet in staat is geweest alsnog een “nat” getekende machtiging aan de rechtbank toe te sturen dan wel deze op de zitting te overleggen. Ter toelichting op de totstandkoming van de machtiging en handtekening daaronder verklaard [naam] ter zitting dat [eiser] een vel papier heeft gepakt en daarop zijn handtekening heeft gezet. Vervolgens heeft [eiser] deze handtekening gescand. Deze gescande handtekening is vervolgens onder de machtiging “geplakt”.
De rechtbank begrijpt dat de gescande handtekening is gebruikt voor zowel het Wob verzoek, het bezwaarschrift als de machtiging. Niet kan worden vastgesteld dat [eiser] zelf de handtekening onder de machtiging heeft gescand, zoals ter zitting is beweerd. Aldus is het voor de rechtbank niet verifieerbaar of [naam] die zich als gemachtigde van [eiser] aandient daartoe ook werkelijk bevoegd is.
8. Het beroep van [eiser] zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
9. Uit het beroepschrift blijkt voorts niet dat [naam] de bedoeling heeft voor zichzelf in beroep te komen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, rechter, in aanwezigheid van mr. C. van Steenoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken 29 januari 2016.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.