ECLI:NL:RBNHO:2016:10324
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de crisisheffing en de rechtmatigheid daarvan volgens het EVRM
Eiseres, een vennootschap binnen een fiscale eenheid, heeft bezwaar gemaakt tegen de afdracht van de crisisheffing over het jaar 2014, een pseudo-eindheffing hoog loon volgens artikel 32bd van de Wet op de loonbelasting 1964. De rechtbank beoordeelde of deze heffing een individuele en buitensporige last vormt en of deze in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en het eigendomsrecht zoals beschermd door het EVRM en het IVBPR.
De rechtbank stelde vast dat belastingen een inmenging vormen in het eigendomsrecht, maar dat deze inmenging gerechtvaardigd kan zijn als zij voldoet aan de vereisten van wetmatigheid, een legitiem doel en een faire balans tussen individueel en algemeen belang. De crisisheffing werd als zodanig beoordeeld en geacht te voldoen aan deze criteria, mede gelet op eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad.
Eiseres voerde aan dat de heffing disproportioneel was gezien het hoge percentage van het vermogen en het verlies in het boekjaar, maar de rechtbank vond deze stellingen onvoldoende onderbouwd om te spreken van een individuele en buitensporige last. Ook het beroep op discriminatiegrondslagen in artikel 14 EVRM Pro en artikel 26 IVBPR Pro werd verworpen, conform eerdere uitspraken van de Hoge Raad.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak bevestigt de rechtmatigheid van de crisisheffing binnen de kaders van het EVRM en het nationale belastingrecht.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de crisisheffing wordt ongegrond verklaard.