Eiseres, een stichting die een regionale bibliotheekfunctie vervult, ontving van meerdere gemeenten subsidie. Verweerder, het college van burgemeester en wethouders van Medemblik, stelde de subsidie vanaf 2013 gefaseerd lager vast, met structurele kortingen in 2015, 2016 en 2017. Eiseres stelde bezwaar tegen de aangekondigde kortingen voor 2016 en 2017, die door verweerder ongegrond werden verklaard.
De kern van het geschil betrof de vraag of verweerder aan eiseres een redelijke termijn had geboden om zich voor te bereiden op de subsidiekorting, zoals vereist volgens artikel 4:51, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank oordeelde dat dit niet het geval was, omdat onduidelijk was welke maatregelen eiseres moest nemen. De besluitvorming over de invulling van het bibliotheekwerk lag bij meerdere organen, waaronder de gemeenteraad die de begroting vaststelt en het college dat de subsidie verstrekt. Er bestond een verschil van inzicht tussen verweerder en de gemeenteraad over de toekomst van het bibliotheekwerk.
De rechtbank stelde vast dat eiseres weinig tot geen ruimte had om de bezuinigingen naar eigen inzicht door te voeren en dat het overleg over de toekomstige invulling van het bibliotheekwerk pas kort voor de zitting was gestart. Hierdoor kon niet worden gezegd dat een redelijke termijn was verstreken. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en herroept het primaire besluit voor zover het de aangekondigde kortingen betrof. Verzoeken om schadevergoeding werden afgewezen, maar verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.