Bij besluit van 9 augustus 2013 verleende verweerder een vrijstelling en bouwvergunning eerste fase voor het oprichten van vier woningen en zes parkeerplaatsen. Eisers maakten bezwaar tegen dit besluit, dat op 17 april 2014 ongegrond werd verklaard. Hiertegen stelde eisers beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank stelde vast dat de aanvraag op 30 juni 2008 was ontvangen en terecht werd getoetst aan de toen geldende wetgeving. Diverse bezwaren van eisers, zoals privacy, uitzicht, geluidsoverlast, en belangenafweging, werden door de rechtbank ongegrond verklaard. Ook de berekeningen over provinciaal beleid 'Ruimte voor ruimte' en vermeende willekeur werden verworpen.
Wel oordeelde de rechtbank dat het aanvankelijk onderzoek naar de waterhuishoudkundige situatie onvolledig was, waardoor het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd was en vernietigd moest worden. Omdat nader onderzoek en overleg met het Hoogheemraadschap Rijnland hadden geleid tot een standpunt dat geen risico op grondwateroverlast bestond, werden de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten.
Tot slot werd verweerder opgedragen het door eisers betaalde griffierecht te vergoeden. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.