Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 april 2015 in de zaak tussen
de burgemeester van de gemeente Zaanstad, verweerder
[naam derde partij 1]en
[naam derde partij 2], te [woonplaats].
Rechtbank Noord-Holland
Eiser had een horeca-exploitatievergunning voor één jaar gekregen, die inmiddels was geëxpireerd. Verweerder herroept het primaire besluit tot vergunningverlening na bezwaar van derden. Eiser stelt dat het bestreden besluit samenhangt met een weigering tot omzetting van de vergunning en wil bij gegrondverklaring een schadeclaim indienen.
De rechtbank beoordeelt of eiser belang heeft bij het beroep. Volgens vaste jurisprudentie moet het doel van het beroep feitelijk van betekenis zijn en moet het oordeel betrokken kunnen worden bij toekomstige besluitvorming of schadevergoeding.
De rechtbank oordeelt dat eiser geen belang kan ontlenen aan de samenhang met de weigering tot omzetting, omdat tegen dat besluit een aparte procedure openstaat. Ook is het beroep tegen een inmiddels geëxpireerde vergunning gericht, waardoor het oordeel feitelijk geen betekenis heeft.
Daarnaast is het niet aannemelijk dat eiser schade heeft geleden, omdat de vergunning slechts één dag niet kon worden gebruikt en het horecabedrijf op die dag gesloten was. De enkele aankondiging van een schadeclaim is onvoldoende.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en ziet af van proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de herroeping van de geëxpireerde vergunning wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang.