ECLI:NL:RBNHO:2015:11035
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak Poolse verdachten moord op landgenote wegens onvoldoende bewijs
De rechtbank Noord-Holland behandelde de zaak tegen twee Poolse verdachten die werden verdacht van het met voorbedachten rade doden van een landgenote in de periode juni tot september 2002 te Landsmeer. De officier van justitie en de verdediging bepleitten beiden vrijspraak.
De zaak berustte onder meer op een verklaring van een medeverdachte aan de Engelse politie, waarin zij aangaf dat verdachte het slachtoffer had verkracht en gewurgd. Op aanwijzing van deze medeverdachte werd het stoffelijk overschot van het slachtoffer gevonden op een camping in Landsmeer. Forensisch onderzoek kon de doodsoorzaak niet met zekerheid vaststellen, hoewel het tongbeen incompleet was, wat op verwurging kan duiden.
De dochter van de verdachten verklaarde dat zij van haar vader had gehoord dat haar moeder een vriendin had vermoord. De verdachten werden aangehouden en gehoord, waarbij verdachte deels zwijgrecht gebruikte en ontkende betrokkenheid. De medeverdachte wijzigde haar verklaringen in Nederland, wat de betrouwbaarheid van haar eerdere verklaring ondermijnde.
De rechtbank concludeerde dat het bewijs onvoldoende overtuigend was om verdachte te veroordelen. De verklaring van de medeverdachte was niet betrouwbaar genoeg om als hoofdbewijs te dienen. Verdachte werd daarom vrijgesproken van de ten laste gelegde moord.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende overtuigend bewijs voor moord.