Uitspraak
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte primair en subsidiair ten laste is gelegd en moet hij daarvan worden vrijgesproken.
Rechtbank Noord-Holland
Verdachte werd verdacht van poging medeplegen afpersing door middel van geweld of bedreiging met geweld tegen twee slachtoffers, met als doel hen te dwingen tot betaling van een geldbedrag van circa €35.000. De tenlastelegging betrof gedragingen op of omstreeks 21 maart 2014 bij de woning van de slachtoffers te Vijfhuizen.
De rechtbank stelde vast dat medeverdachten zich naar de woning begaven en dat er gesprekken plaatsvonden over een vermeende vordering van verdachte op de slachtoffers. De slachtoffers ervoeren de confrontatie als bedreigend, mede door de voorgeschiedenis met verdachte en de aanwezigheid van onbekende mannen met stukken over de vordering.
Echter oordeelde de rechtbank dat het bewijs onvoldoende was om het geweld of de bedreiging met geweld als dwangmiddel wettig en overtuigend vast te stellen. De subjectieve ervaring van bedreiging kon niet worden vertaald naar een objectief bewijs van strafbare bedreiging. Hierdoor kon ook de rol van verdachte als medepleger of medeplichtige niet worden bewezen.
De rechtbank sprak verdachte vrij van zowel het primair als subsidiair ten laste gelegde feit. Tevens werd de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding wegens het ontbreken van bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van poging medeplegen afpersing door geweld of bedreiging.