Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Tenlastelegging
2.Voorvragen
3.InleidingVerdachte wordt verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan het veroorzaken van een ontploffing in zijn woning aan de [adres 1] te Purmerend. Verdachte heeft verklaard dat hij – met het doel zichzelf van het leven te beroven – de gaskraan in zijn woning heeft open gedraaid, gedurende meerdere uren gas zijn woning in heeft laten stromen en dat hij vervolgens een sigaret heeft aangestoken. Tijdens of direct na het aansteken van de sigaret volgde een ontploffing.
4.Bewijs
- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;
- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen met nummer PL11ZN-2013065855-2, inhoudende de bevindingen van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] d.d. 18 oktober 2013, doorgenummerde pagina 14;
- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2013065855-4, inhoudende de bevindingen van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] d.d. 18 oktober 2013, doorgenummerde pagina 18;
- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen met nummer PL11PN-2013065855-7, inhoudende de bevindingen van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] d.d. 18 oktober 2013, doorgenummerde pagina 19;
- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen met nummer PL11FO-2013065855-22, inhoudende de bevindingen van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] d.d. 19 november 2013, doorgenummerde pagina’s 58 tot en met 63.
5.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
6.Strafbaarheid van verdachte
7.Strafoplegging
nietworden gegeven. Intakefunctionaris [intakefunctionaris] had laten weten dat de wachttijd drie tot vier maanden bedroeg.
De rechtbank heeft vervolgens, om de periode van vier weken te overbruggen en met het oog op het hiervoor genoemde doel, te weten een spoedige plaatsing van verdachte in De Woenselse Poort, besloten het onderzoek ter terechtzitting twee weken later te sluiten. Gedurende die twee weken gold een schorsing met opschortende voorwaarde, in die zin dat verdachte geschorst zou worden op het tijdstip waarop hij in De Woenselse Poort geplaatst kon worden en overgebracht zou zijn door de Dienst Vervoer en Ondersteuning. De sluiting van het onderzoek ter terechtzitting werd bepaald op 11 juli 2014.
De rechtbank stelt vast dat daarmee een zeer onwenselijke situatie is ontstaan waar verdachte en/of de maatschappij de gevolgen van moeten dragen.
opnamedatum voor verdachte, terwijl de rechtbank reeds bij tussenvonnis van 4 april 2014 heeft bepaald dat verdachte zo snel als mogelijk in De Woenselse Poort geplaatst moet worden, is onaanvaardbaar.
De rechtbank heeft bij tussenvonnis tevens duidelijk gemaakt dat het onvoorwaardelijk gedeelte van een passende vrijheidsstraf weinig langer beloopt dan zeven maanden, zijnde het toenmalige voorarrest vermeerderd met de aanhouding voor de duur van maximaal drie maanden plus twee weken, met name gelet op de daaropvolgende jarenlange behandeling.
8.Vorderingen benadeelde partijen
Bij brief van 15 juni 2014 heeft de benadeelde partij de vordering aangevuld. De benadeelde partij vordert € 720, - wegens een verhoging van diens autoverzekeringspremie met € 120, - per jaar, voor de duur van zes jaren.
Hetzelfde geldt voor het gevorderde bedrag van € 720, -. Van deze schade staat nog niet vast dat de benadeelde partij die ook daadwerkelijk zal lijden.
9.Beslissing
negentien maanden en acht dagen, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot
12 maanden,
nietten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op drie jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
dadelijk uitvoerbaarzijn.
[benadeelde partij 1]geleden schade tot een bedrag van
€ 75, -, bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag aan [benadeelde partij 1], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
één (1) daghechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.
[benadeelde partij 2]geleden schade.
[benadeelde partij 3]geleden schade tot een bedrag van
€ 320, -, bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag aan [benadeelde partij 3], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
zes (6) dagenhechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.
[benadeelde partij 4]geleden schade, te weten een bedrag van
€ 306,36, bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag aan [benadeelde partij 4], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
zes (6) dagenhechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.
[benadeelde partij 5]geleden schade tot een bedrag van
€ 70, -, bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, aan [benadeelde partij 5], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
één (1) daghechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.
[benadeelde partij 6]niet-ontvankelijk in haar vordering.