ECLI:NL:RBNHO:2014:3128
Rechtbank Noord-Holland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen gedoogplicht voor verlegging drinkwater- en afvalwaterleidingen
Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen besluiten waarbij hen op grond van de Belemmeringenwet privaatrecht een gedoogplicht is opgelegd voor de aanpassing en verlegging van drinkwater- en afvalwatertransportleidingen vanwege de aanleg en reconstructie van de N23.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de minister van Infrastructuur en Milieu bevoegd was tot het opleggen van de gedoogplicht, aangezien de werkzaamheden noodzakelijk zijn voor het openbare werk en de belangen van verzoekers niet zodanig zijn dat onteigening vereist is. Tevens is vastgesteld dat er een serieuze en redelijke poging is gedaan om langs minnelijke weg overeenstemming te bereiken, zoals blijkt uit uitgebreide correspondentie en onderhandelingen tussen partijen.
Verzoekers stelden dat de gedoogplicht meer belemmeringen oplevert dan noodzakelijk en dat onvoldoende is geprobeerd tot overeenstemming te komen, maar deze bezwaren worden verworpen. Ook is geen sprake van rechtsonzekerheid over de duur of omvang van de gedoogplicht. Gelet op het grote algemene belang bij een spoedige uitvoering van de reconstructie van de N23, is het besluit om niet te wachten met uitvoering redelijk.
De voorzieningenrechter concludeert dat er geen grond is om de gedoogplicht voorlopig buiten werking te stellen en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de gedoogplicht voor verlegging van leidingen wordt afgewezen.