ECLI:NL:RBNHO:2014:2483

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
4 februari 2014
Publicatiedatum
20 maart 2014
Zaaknummer
AWB-14_478
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening maatschappelijke opvang voor gezinnen

Verzoekster maakte bezwaar tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Haarlem waarin haar indicatie voor maatschappelijke opvang werd beëindigd en zij werd verplicht de opvang uiterlijk op 4 februari 2014 te verlaten.

De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake was van een patstelling: verzoekster kon niet langer in de opvang blijven, maar er was ook geen woning beschikbaar. Verweerder bood hulp aan mits verzoekster bereid was zich te laten helpen, wat zij niet toonde.

De rechter vond het onwenselijk dat verzoekster langer in de opvang verbleef en achtte niet aannemelijk dat een langer verblijf de patstelling zou doorbreken. Daarom wees hij het verzoek om voorlopige voorziening af en wees proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak stond geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat niet aannemelijk is dat langer verblijf in maatschappelijke opvang de patstelling doorbreekt.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
Zaaknummer: HAA 14/478
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter ter zitting van 4 februari 2014 in de zaak tussen

[verzoekster]

wonende te[woonplaats],
verzoekster,
gemachtigde mr. J. Klaas
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 januari 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoekster medegedeeld dat haar indicatie voor maatschappelijke opvang is vervallen en dat verzoekster uiterlijk op 4 februari 2014 de maatschappelijke opvang voor gezinnen moet verlaten.
Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft voorts de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2014. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, mr. R. Braeken en H.J. Knotnerus-Sanstra.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Overwegingen

1.
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat sprake is van een patstelling. Vaststaat dat verzoekster niet langer in de opvang voor gezinnen kan blijven. Verweerder heeft verzoekster hulp aangeboden en verklaard dat zij elders onderdak kan krijgen. Voorwaarde hiervoor is dat verzoekster bereid moet zijn zich te laten helpen. Vooralsnog heeft verzoekster een dergelijke bereidheid niet. Verzoekster heeft verklaard dat zij van mening is dat zij recht heeft op een woning. Verweerder heeft er ter zitting terecht op gewezen dat er niet zomaar een woning voor verzoekster beschikbaar is. Een woning is immers een schaars goed. Op korte termijn zal er voor verzoekster geen woning beschikbaar komen.
3.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het onwenselijk dat verzoekster nog langer gebruik maakt van de maatschappelijke opvang voor gezinnen. Niet aannemelijk is geworden dat een langer verblijf van verzoekster in die opvang ertoe zal leiden dat voormelde patstelling zal worden doorbroken. Verzoekster zal zich moeten realiseren dat het van groot belang is dat zij zich laat helpen. Op voorhand kan niet worden uitgesloten dat uit het hulpverleningstraject naar voren zal komen dat er zich bij verzoekster geen (ernstige) problematiek voordoet. Echter, het is van groot belang dat zij een dergelijk traject ingaat.
4.
Het voorgaande leidt ertoe dat de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening afwijst. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
5.
De voorzieningenrechter deelt tot slot mede dat tegen deze uitspraak geen rechtsmiddel openstaat.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. de Valk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P.M. van der Pol, griffier, op 4 februari 2014.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op: