Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Procedure
2.Beoordeling
3.Beslissing
31 juni 2014;
Rechtbank Noord-Holland
Betrokkene verbleef op grond van een voorwaardelijke machtiging in een psychiatrisch ziekenhuis die op 17 december 2013 verliep. Voor die datum diende de officier van justitie een verzoek in voor een opvolgende machtiging. Na het verstrijken van de machtiging nam de geneesheer-directeur een besluit tot opname binnen de wettelijke termijn van vier weken.
De raadsman van betrokkene voerde aan dat de omzetting van de machtiging na expiratie niet mogelijk was en dat het verzoek tot voortgezet verblijf afgewezen moest worden. De rechtbank oordeelde echter dat de wet en jurisprudentie toestaan dat de geneesheer-directeur binnen vier weken na afloop van de machtiging nog een besluit kan nemen, mits een verzoek tot aansluitende machtiging tijdig is ingediend.
De rechtbank stelde vast dat betrokkene lijdt aan schizofrenie en nog gevaar veroorzaakt voor de veiligheid. Het verzoek tot machtiging voortgezet verblijf werd daarom toegewezen voor een duur van zes maanden. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat geen schending van wettelijke bepalingen was vastgesteld.
Uitkomst: De rechtbank verleent de machtiging tot voortgezet verblijf en wijst het verzoek om schadevergoeding af.