Eiseres, een belastingadviespraktijk, maakte bezwaar tegen de pseudo-eindheffing van 16% over het loon van haar directeur-aandeelhouder in 2012, zoals opgelegd door de inspecteur van de Belastingdienst. De rechtbank beoordeelde of artikel 32bd van de Wet op de loonbelasting 1964, dat de crisisheffing regelt, in strijd is met de systematiek van de Wet LB, het internationale recht of fundamentele rechtsbeginselen.
De rechtbank oordeelde dat artikel 32bd uitdrukkelijk een afwijking vormt van de normale heffingsregels en dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij het invoeren van deze eenmalige werkgeversheffing. De regeling is ingevoerd als onderdeel van het Begrotingsakkoord 2013 met het doel het EMU-tekort terug te dringen en de overheidsfinanciën te versterken.
De rechtbank verwierp het betoog dat sprake zou zijn van onrechtmatige terugwerkende kracht of schending van het eigendomsrecht en concludeerde dat de crisisheffing een redelijke en objectief gerechtvaardigde maatregel is. Het beroep van eiseres werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.