Uitspraak
Opiumwet art. 3, 11
Rechtbank Noord-Holland
Verdachte werd beschuldigd van het opzettelijk telen en bewerken van een grote hoeveelheid hennep in de uitoefening van een beroep of bedrijf en van diefstal van elektriciteit van Liander in Badhoevedorp.
De rechtbank stelde vast dat verdachte de feiten had bekend en dat er voldoende bewijs was, waaronder proces-verbalen en een bekennende verklaring. Verdachte had een professionele hennepkwekerij ingericht en eerder soortgelijke feiten gepleegd. De verdediging voerde aan dat het geen diefstal maar heling van elektriciteit betrof, maar de rechtbank oordeelde dat sprake was van diefstal omdat verdachte bewust elektriciteit afnam via een illegale kabel.
De rechtbank veroordeelde verdachte tot vier maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest, en verklaarde een voedingscomputer, een bestelauto en een kentekenbewijs verbeurd. Tevens werd de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden bevolen, terwijl een andere voorwaardelijke straf werd afgewezen vanwege het tijdstip van het delict.
De straf werd gematigd vanwege de persoonlijke omstandigheden van verdachte, maar de ernst van de feiten en de eerdere veroordelingen wogen zwaar mee. De uitspraak benadrukt de gevaren van hennepteelt en de betrokkenheid van georganiseerde criminaliteit.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf met verbeurdverklaring van goederen en tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf.