Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
[verzoekers], te [woonplaats], verzoekers
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
15 november 2013.
Rechtbank Noord-Holland
Verzoekers dienden een aanvraag in voor een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb). Tijdens het onderzoek bleek dat er meerdere stortingen door een familielid op de bankrekening van verzoekster waren gedaan. Verweerder stelde dat deze stortingen geen geldleningen waren omdat er geen schriftelijke overeenkomst was en geen daadwerkelijke terugbetalingsverplichting bestond. Verzoekers overlegden een verklaring en een geldleningsovereenkomst, maar deze waren gedateerd na de aanvraag en gaven geen bewijs van een bestaande terugbetalingsverplichting ten tijde van de aanvraag.
De voorzieningenrechter verwees naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, waarin is bepaald dat schulden alleen in aanmerking worden genomen als het bestaan ervan en de terugbetalingsverplichting aannemelijk zijn gemaakt met concrete, objectieve en verifieerbare gegevens. Dit was in deze zaak niet het geval. De leningsovereenkomst was pas na de aanvraag opgesteld en er was geen aflossing gedaan.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De uitspraak is in het openbaar gedaan en er staat geen rechtsmiddel tegen open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting van de geldleningen.