ECLI:NL:RBNHO:2013:10749

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
8 oktober 2013
Publicatiedatum
12 november 2013
Zaaknummer
HAA 13/3116 & 13/4103
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 4 sub b WwbArt. 8:86 AwbArt. 120 Grondwet
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep en voorlopige voorziening inzake bewijsvermoeden gezamenlijke huishouding Wwb

Eiseres had beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Haarlem om haar uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) te beëindigen en in te trekken, omdat zij volgens verweerder een gezamenlijke huishouding voert met degene die haar kind heeft erkend. De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake is van een wettelijk bewijsvermoeden op grond van artikel 3, vierde lid, onder b, Wwb, aangezien eiseres en de erkenner van haar kind hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben.

Dit wettelijk bewijsvermoeden kan niet worden ontkracht met tegenbewijs, waardoor het betoog van eiseres dat er feitelijk geen gezamenlijke huishouding is, buiten beschouwing blijft. Eiseres voerde tevens aan dat de erkenning van haar kind ongedaan gemaakt zou worden, maar dit is een toekomstige en onzekere gebeurtenis die geen invloed heeft op de huidige beoordeling.

Verder stelde eiseres dat artikel 3, vierde lid, onder b, Wwb in strijd is met de Grondwet, maar dit werd verworpen omdat de rechter niet bevoegd is tot toetsing van de grondwettigheid van wetten. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen het beroep staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening worden afgewezen vanwege het wettelijk bewijsvermoeden van gezamenlijke huishouding.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
Zaaknummer: HAA 13/3116 en 13/4103
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter ter zitting van 8 oktober 2013
in de zaken van:

[eiseres]

wonende te[woonplaats],
eiseres,
gemachtigde mr. P.H. van Dijck
tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem,

verweerder.
Bij een ongedateerd primair besluit heeft verweerder de uitkering van eiseres in het kader van de Wet werk en bijstand (Wwb) met ingang van de dag na verzending van dit besluit beëindigd en voorts per 8 september 2012 ingetrokken, omdat eiseres vanaf laatstgenoemde datum een gezamenlijke huishouding voert met degene die haar op die dag geboren kind heeft erkend.
Verweerder heeft bij besluit van 24 mei 2013 het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder nr. 13/3116. Voorts heeft eiseres de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder nr. 13/4103.
Ter zitting is eiseres, bijgestaan door mr. P.H. van Dijck, verschenen. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde, mr. S. Dijkman Dulkes-Wan.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter heeft:
  • het beroep ongegrond verklaard;
  • het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Gronden van de beslissing

1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Om die reden bestaat aanleiding onder toepassing van artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2.
In het geval van eiseres is sprake van een wettelijk vastgelegd bewijsvermoeden. Dit bewijsvermoeden is neergelegd in artikel 3, vierde lid, onder b van de Wwb. Doorslaggevend is dat eiseres en degene die haar kind heeft erkend, beiden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. De wet verbindt hieraan het vermoeden dat tussen hen beiden sprake is van een gezamenlijke huishouding. Het is niet mogelijk dit wettelijk bewijsvermoeden met tegenbewijs te ontkrachten. Het betoog van eiseres dat in haar situatie feitelijk geen sprake is van een gezamenlijke huidhouding met degene die haar kind heeft erkend, moet dus buiten beschouwing blijven.
3.
Eiseres heeft er ter zitting op gewezen dat zij bij de rechtbank een procedure is gestart om te bereiken dat de erkenning van haar kind ongedaan wordt gemaakt. Dit laat echter onverlet dat deze erkenning op dit moment nog steeds bestaat, zodat verweerder daar bij de toepassing van de Wwb rekening mee moet houden. Eiseres heeft de voorzieningenrechter voorts gevraagd de voorlopige voorziening te laten ingaan vanaf het moment dat de rechtbank de erkenning ongedaan heeft gemaakt. Dit verzoek honoreert de voorzieningenrechter niet, omdat sprake is van een toekomstige onzekere gebeurtenis. De rechtbank heeft in bedoelde procedure een zitting bepaald, maar vooralsnog is niet duidelijk wanneer er een uitspraak zal volgen en wat de uitkomst zal zijn.
4.
Eiseres heeft voorts ter zitting het standpunt ingenomen dat artikel 3, vierde lid, onder b van de Wwb buiten toepassing moet blijven wegens strijd met een tweetal artikelen uit de Grondwet. Dit standpunt wordt verworpen, aangezien de rechter, ingevolge artikel 120 van Pro de Grondwet, niet treedt in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen.
5.
Het voorgaande leidt ertoe dat het beroep ongegrond is. Hierdoor bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
6.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.
7.
De voorzieningenrechter deelt tot slot mede dat tegen deze uitspraak, voor zover deze betrekking heeft op het beroep, binnen zes weken na verzending ervan hoger beroep openstaat bij de Centrale Raad van Beroep. Voor zover deze uitspraak betrekking heeft op het verzoek om voorlopige voorziening, staat hiertegen geen rechtsmiddel open.
Uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2013 te Haarlem door
mr. W.J.A.M. van Brussel, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van
P.M. van der Pol, griffier.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden: