Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:96

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
11920325 \ UE VERZ 25-303
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:677 lid 1 BWArt. 7:678 lid 1 BWArt. 7:678 lid 2 sub d BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing billijke vergoeding na rechtsgeldig ontslag op staande voet wegens diefstal

De kantonrechter van de Rechtbank Midden-Nederland behandelde het verzoek van een werknemer die op staande voet was ontslagen wegens diefstal. De werknemer was sinds 2002 in dienst en werd verdacht van het meenemen van meerdere producten zonder betaling op 7 en 14 augustus 2025. Na een onderzoek door een extern bureau en een hoorgesprek werd het ontslag op staande voet gegeven en schriftelijk bevestigd.

De werknemer betwistte het ontslag en verzocht om een billijke vergoeding, terugbetaling van ingehouden schadevergoeding, loon over de opzegtermijn en opheffing van sancties. De kantonrechter oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was, met hoor en wederhoor, en dat de werknemer voldoende gelegenheid had gehad om te reageren, ook al waren beelden niet direct getoond tijdens het hoorgesprek.

Op basis van camerabeelden, kassaregistraties en het hoorgesprek concludeerde de kantonrechter dat de werknemer meerdere producten zonder betaling had meegenomen, wat een dringende reden vormt voor ontslag op staande voet. Het ontslag werd onverwijld gegeven na het onderzoek. De verzoeken van de werknemer werden afgewezen, inclusief de billijke vergoeding en transitievergoeding, en de sanctiemaatregelen bleven van kracht. De werknemer werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet wegens diefstal is rechtsgeldig gegeven en het verzoek tot billijke vergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: 11920325 \ UE VERZ 25-303
Beschikking van 9 januari 2026
in de zaak van
[verzoekster],
wonende te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
gemachtigde: mr. R.H. Wiegeraad,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verweerster] B.V.,
kantoor houdend te [plaats 2] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerster] ,
gemachtigde: mr. R.J. Stoop.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met 9 producties
- het verweerschrift met 22 producties
- de mondelinge behandeling van 28 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitnota van de gemachtigde van [verweerster]
- de reactie van de gemachtigde van [verweerster] per e-mails van 4 december 2025 en
11 december 2025
- de reactie van de gemachtigde van [verzoekster] per e-mail van 8 december 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 november 2025. [verzoekster] was aanwezig, bijgestaan door mr. R.H. Wiegeraad, haar gemachtigde. Namens [verweerster] was aanwezig [A] , HR-adviseur, bijgestaan door mr. R.J. Stoop, de gemachtigde. Aan het einde van de zitting is de behandeling aangehouden zodat [verweerster] nog kassabetalingen in haar administratie kan nakijken en partijen de gelegenheid hebben om in overleg te gaan over een mogelijke regeling.
1.3.
Beide partijen hebben de kantonrechter daarna afzonderlijk verzocht om een beschikking te geven. Daarbij hebben de gemachtigden gereageerd op elkaars reacties in de e-mails na de zitting.
1.4.
De kantonrechter heeft daarna beschikking bepaald op vandaag.

2.De kern van de zaak

2.1.
[verweerster] heeft [verzoekster] op staande voet ontslagen. De vraag die voorligt is of het ontslag op staande voet terecht is gegeven. De kantonrechter is van oordeel dat dat het geval is. De kantonrechter wijst daarom het verzoek van [verzoekster] tot het toekennen van een billijke vergoeding af.

3.De achtergrond van de zaak

3.1.
[verzoekster] is 59 jaar en sinds 2002 in dienst bij [verweerster] B.V.. [verzoekster] verricht haar werk in het filiaal van [verweerster] in [plaats 3] (hierna: de winkel). [verzoekster] verrichtte als laatste de functie van kassamedewerker B voor een uurloon van € 16,43 bruto exclusief vakantiegeld met een arbeidsomvang van 32 uur per week. Op de arbeidsovereenkomst zijn het bedrijfsreglement en het verzuimprotocol van [verweerster] van toepassing. Ook is op de arbeidsovereenkomst de cao VGL (de cao) van toepassing.
3.2.
Op 14 augustus 2025 heeft de supermarktmanager van het filiaal in [plaats 3] ,
[B] , een melding gekregen over een vermoeden dat [verzoekster] producten uit de winkel heeft weggenomen zonder deze af te rekenen. Op 15 augustus 2025 heeft de supermarktmanager [verzoekster] telefonisch meegedeeld dat zij wordt geschorst vanwege een verdenking van diefstal en dat een onderzoek zal worden verricht. [verweerster] heeft de schorsing schriftelijk bevestigd.
3.3.
In opdracht van [verweerster] heeft onderzoeksbureau [bedrijfsnaam 1] , onderdeel van [bedrijfsnaam 2] B.V. ( [bedrijfsnaam 2] ), dit onderzoek verricht. Daarna heeft op 21 augustus 2025 een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoekster] en haar gemachtigde en [C] ,
HR-adviseur bij [verweerster] , en [D] , werkzaam bij [bedrijfsnaam 1] . Aan het einde van het gesprek heeft [C] namens [verweerster] aan [verzoekster] medegedeeld dat zij op staande voet is ontslagen. Bij brief van 22 augustus 2025 heeft [verweerster] het ontslag bevestigd. In de ontslagbrief wordt onder meer vermeld:
“(..)
Onderzoek
(..) In het kader van het onderzoek zijn onder meer de kassaregistraties, de administratie en de camerabeelden bestudeerd. Uit het door [bedrijfsnaam 2] verrichte onderzoek bleek dat jij op 7 en 14 augustus 2025 meerdere producten hebt weggenomen en daarmee het filiaal hebt verlaten, zonder deze producten (vooraf) te betalen. Meer specifiek ging het in ieder geval om de volgende producten (maar ging het om nog meer producten die ook niet werden afgerekend):
7 augustus 2025
  • Santa Maria Mini Taco Tubs ter waarde van € 2,75;
  • Inproba Gehakte knofloo ter waarde van € 1,79.
14 augustus 2025
  • een rol beschuit van het merk Bolletje Echte ter waarde van € 0,80;
  • een fles Glorix bleekmiddel original ter waarde van € 1,45;
  • 2 x 1 DB reinigingsdoekjes ter waarde van € 0,83;
  • een pak keukenrollen van het merk Zizo ter waarde van € 2,19;
  • een verpakking mineraal water van het merk Spa met 6 flesjes x 500 ml ter waarde van
(..)
Ontslag
(..).
Uit camerabeelden en interne kassacontroles is gebleken dat je op meerdere data producten hebt meegenomen zonder daarvoor te betalen. Zo heb je op bovengenoemde data onder meer producten meegenomen zonder te betalen, die op die dag niet alleen niet door jou maar ook niet door andere klanten zijn afgerekend. Daarmee staat objectief vast dat deze producten niet zijn betaald. De beelden laten daarnaast zien dat dit gedrag op verschillende momenten en dagen heeft plaatsgevonden, hetgeen wijst op herhaald en bewust handelen.
Jouw verklaring achten wij niet afdoende. Je hebt zonder toestemming producten weggenomen uit de winkel onder daarvoor te betalen. Het hoeft geen betoog dat jouw handelwijze onacceptabel is en alle grenzen van het betamelijke overschrijdt. Je hebt de verplichtingen uit jouw arbeidsovereenkomst ernstig veronachtzaamd en het vertrouwen in jou is onherstelbaar geschonden.
Bovenstaande feiten en omstandigheden leveren dan ook ieder voor zich en in onderlinge samenhang bezien een dringende reden in de zin van artikel 7:678 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
(..).”
3.4.
[verweerster] heeft [verzoekster] in de ontslagbrief ook meegedeeld dat zij een schadevergoeding is verschuldigd die met de eindafrekening wordt verrekend, dat haar gegevens worden opgenomen in het interne en het externe waarschuwingsregister en dat zij een winkelverbod krijgt opgelegd voor alle filialen van [verweerster] voor de duur van een jaar.
3.5.
[bedrijfsnaam 1] heeft haar onderzoek vastgelegd in een rapport van 21 augustus 2025. Daarin is ook de mondelinge reactie van [verzoekster] op de door [verweerster] geconstateerde diefstal vermeld. Daarna heeft [bedrijfsnaam 1] op verzoek van [verweerster] aanvullend onderzoek verricht naar de vraag wie enkele producten heeft afgerekend die gelijk zijn aan de producten die [verzoekster] op 7 en op 14 augustus 2025 uit het filiaal heeft weggenomen, zonder dat die producten door [verzoekster] zijn afgerekend (Santa Maria Mini Taco Tubs, Inproba Gehakte knoflook, ZiZo keukenrollen en Glorix bleekmiddel original). De resultaten van dit onderzoek zijn vastgelegd in een aanvullend rapport van 9 september 2025.
3.6.
Op 12 september 2025 heeft [verzoekster] met haar gemachtigde op het hoofdkantoor van [verweerster] camerabeelden bekeken.

4.De beoordeling

Het verzoek
4.1.
[verzoekster] maakt primair aanspraak op een billijke vergoeding van € 11.573,28 bruto, de transitievergoeding en terugbetaling van de op haar salaris ingehouden schadevergoeding. Ook verzoekt [verzoekster] [verweerster] te veroordelen tot opheffing van de in de ontslagbrief genoemde sanctiemaatregelen. [verzoekster] heeft subsidiair verzocht [verweerster] te veroordelen tot betaling van het loon over de opzegtermijn, de transitievergoeding, tot terugbetaling van de ingehouden schadevergoeding en tot opheffing van de in de ontslagbrief genoemde sanctiemaatregelen.
4.2.
Omdat [verzoekster] berust in het gegeven ontslag is de arbeidsovereenkomst op
21 augustus 2025 geëindigd. Voor de vraag of [verzoekster] recht heeft op de verzochte vergoedingen, terugbetaling van de met het salaris verrekende gefixeerde schadevergoeding en opheffing van sanctiemaatregelen, zal eerst beoordeeld moeten worden of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven.
Het ontslag op staande voet
4.3.
Een ontslag op staande voet is rechtsgeldig wanneer er een
dringende redenis en de werkgever de arbeidsovereenkomst om die dringende reden
onverwijldheeft opgezegd onder
onverwijlde mededelingvan die dringende reden aan de werknemer [1] .
Het onderzoek voor het ontslag op staande voet is voldoende zorgvuldig geweest
4.4.
[verzoekster] stelt dat [verweerster] niet als goed werkgever heeft gehandeld door haar in het hoorgesprek op 21 augustus 2025 niet te vertellen welke goederen zij zou hebben gestolen en door toen geen beelden te tonen, zoals zij had gevraagd.
4.5.
Goed werkgeverschap vereist dat de werkgever zorgvuldig onderzoek doet naar de feiten die aan een ontslag op staande voet ten grondslag worden gelegd. Een wezenlijk onderdeel van dit onderzoek is hoor en wederhoor.
4.6.
Uit het onderzoeksrapport van [bedrijfsnaam 1] van 21 augustus 2025 blijkt dat [verzoekster] in het hoorgesprek, dat volgens [verzoekster] circa drie kwartier tot een uur heeft geduurd, de gestelde diefstallen op 7 en 14 augustus 2025 heeft ontkend.
4.7.
[verweerster] heeft in het verweerschrift toegelicht dat [verzoekster] in het hoorgesprek expliciet is geconfronteerd met de inhoud van de onderzoeksresultaten, waaronder de data waarop zij producten zonder te betalen heeft meegenomen. [verzoekster] is volgens [verweerster] niet ingegaan op vragen over de wijze en het moment van betaling. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van [verweerster] opgemerkt dat de beelden normaal gesproken wel tijdens het hoorgesprek getoond worden, maar dat dit niet is gebeurd door de wijze waarop het gesprek is verlopen. [verzoekster] en haar gemachtigde hadden tijdens het gesprek namelijk zelf besloten het gesprek voortijdig te beëindigen. [verzoekster] heeft dat laatste niet weersproken.
4.8.
Ook al is [verzoekster] tijdens het hoorgesprek niet verteld welke producten zij zou hebben gestolen en zijn toen geen beelden getoond, dan is dat naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende om te concluderen dat [verweerster] [verzoekster] geen deugdelijke mogelijkheid tot wederhoor heeft geboden. Uit het onderzoeksrapport en uit het verweerschrift blijkt voldoende dat [verzoekster] heeft kunnen reageren op de beschuldigingen van diefstal op de specifieke data. [verzoekster] heeft niet duidelijk gemaakt waarom het zien van de beelden tijdens het hoorgesprek verschil zou hebben gemaakt voor haar verklaring. Op 12 september 2025 heeft [verzoekster] de beelden vanaf de laptop van de HR-adviseur alsnog kunnen bekijken, voorafgaand aan het indienen van haar verzoekschrift. Zij heeft in deze procedure op de overgelegde lijst van [verweerster] met niet-afgerekende producten en ook op de printscreens van de filmbeelden kunnen reageren.
4.9.
Uit de ontslagbrief en de onderzoeksrapporten blijkt dat [verweerster] de diefstal door [verzoekster] heeft vastgesteld na een melding van een collega, het bekijken van de camerabeelden, het bestuderen van de kassa-administratie en het hoorgesprek met [verzoekster] . In het verweerschrift en tijdens de zitting heeft [verweerster] toegelicht dat bij een controle van haar kassa-volgsysteem ook de eventuele contante betalingen worden gevonden. Gelet op deze toelichting van [verweerster] volgt de kantonrechter [verzoekster] niet in haar stelling dat [verweerster] niet heeft gekeken naar de contante betaling die zij op 14 augustus 2025 stelt te hebben gedaan.
4.10.
De kantonrechter is dan ook van oordeel dat het ontslag is gegeven na een voldoende zorgvuldig onderzoek.
Er is sprake van een dringende reden
4.11.
Uit de wet volgt dat als dringende reden beschouwd worden zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Daarvan is onder meer sprake wanneer de werknemer zich schuldig maakt aan diefstal, waardoor hij het vertrouwen van de werkgever onwaardig is geworden [2] . De werkgever is de partij die moet onderbouwen en zo nodig bewijzen dat er een dringende reden bestond voor het ontslag op staande voet.
4.12.
Bij de beoordeling van de vraag of van zodanige dringende redenen sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij worden ook de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd, de aard en duur van het dienstverband, de wijze waarop de werknemer tijdens het dienstverband heeft gefunctioneerd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben, betrokken. Ook als zo’n ontslag grote gevolgen heeft voor de werknemer, kan dat ontslag toch gerechtvaardigd zijn, met name vanwege de aard en de ernst van de dringende reden.
4.13.
[verweerster] stelt zich op het standpunt dat [verzoekster] in ieder geval op 7 augustus 2025 twee producten en op 14 augustus 2025 vijf producten uit de winkel heeft meegenomen zonder deze af te rekenen. [verzoekster] ontkent dit en stelt in haar verzoekschrift dat zij de twee producten op 7 augustus 2025, de Santa Maria Mini Taco Plus en Inproba gehakte knoflook, uit de schappen heeft gepakt voor een klant, een oudere mevrouw, waarna deze producten door de klant zijn betaald. Over de vijf producten op 14 augustus 2025 stelt [verzoekster] dat zij deze bij kassa 17 in één run contant heeft afgerekend met een briefje van € 20,00, samen met een pot pindakaas Calvé (€ 2,99), 2 x Rittersport Melk Hele Hazelnoot (€ 3,90) en statiegeld van € 0,90. Na deze betaling heeft zij € 3,10 retour ontvangen.
4.14.
De kantonrechter is van oordeel dat [verweerster] aan de hand van de twee onderzoeksrapporten van [bedrijfsnaam 1] , gebaseerd op een analyse van camerabeelden, een hoorgesprek met [verzoekster] op 21 augustus 2025 en het elektronisch journaal van aankopen, voldoende heeft onderbouwd dat [verzoekster] op 7 en op 14 augustus 2025 meerdere producten uit de winkel heeft meegenomen zonder deze af te rekenen.
Producten 7 augustus 2025
4.15.
[verweerster] heeft de stelling van [verzoekster] dat zij op 7 augustus 2025 de beide producten (Santa Maria Taco Tubs en Inproba knoflook) voor een klant, een oudere mevrouw, heeft gepakt en dat de klant deze producten heeft afgerekend, gemotiveerd betwist in haar verweerschrift. Volgens [verweerster] kunnen deze beide producten niet voor één klant gepakt zijn omdat uit de door haar bij het verweerschrift overgelegde printscreens van de camerabeelden blijkt dat [verzoekster] de Santa Maria Taco Tubs (hierna: de Tubs) ruim een uur eerder (13:05 uur) uit het schap heeft gepakt dan de Inproba knoflook (14:16 uur). Verder is op deze printscreens te zien dat [verzoekster] deze producten niet aan een klant heeft gegeven maar dat zij deze apart hield en uiteindelijk in een winkelmandje achter de servicebalie heeft gestopt. Op de beelden is wel te zien dat [verzoekster] de beide producten aan het eind van haar shift uit het winkelmandje achter de servicebalie haalt en in een big shopper boodschappentas legt en dat zij direct daarna de winkel met de boodschappentas verlaat door het uitgangspoortje te openen met het pasje dat in de la ligt bij de servicebalie om de poortjes te openen, zonder daarvoor een betalingshandeling te verrichten. Uit het aanvullend rapport van [bedrijfsnaam 1] blijkt dat de Tubs op 7 augustus 2025 één keer is verkocht, om 10:21:04 uur aan een klant die niet voldoet aan het signalement van [verzoekster] . De Inproba knoflook is deze dag drie keer verkocht, maar niet aan [verzoekster] of een oudere vrouw. Bovendien zijn de Tubs en de Inproba knoflook niet gelijktijdig afgerekend. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van [verzoekster] toegelicht dat bij nader inzien de Tubs die [verzoekster] voor een oudere mevrouw had gepakt, daarna weer is teruggezet in het schap. Namens [verweerster] is daarop toegelicht dat op de beelden te zien is dat [verzoekster] de Tubs zelf vasthoudt boven het winkelmandje achter de servicebalie. De gemachtigde van [verzoekster] heeft tijdens de zitting over de Tubs ook opgemerkt dat de verpakking van dit product anders is dan op de beelden van [verweerster] . De kantonrechter volgt niet goed wat [verzoekster] daarmee wil aantonen.
Tijdens de zitting heeft [verzoekster] gesteld dat zij de scanpaal wel met het pasje moest openen omdat de toegangscode op de kassabon maar twee minuten geldig is om het uitgangspoortje te openen. Die tijd was al verstreken. Namens [verweerster] is hierover tijdens de zitting gezegd dat zij met deze korte geldigheidsduur van de kassabon niet bekend is. Wat hier ook van zij, het doet niks af aan de bevindingen in het onderzoek over de door [verzoekster] niet afgerekende producten. Concluderend blijkt uit de overgelegde stukken van [verweerster] dat [verzoekster] bij de servicebalie een pak Tubs vasthoudt boven een winkelmandje en dat zij kort daarna de winkel verlaat door het uitgangspoortje met het pasje van de servicebalie te openen. Uit het kassavolgsysteem blijkt verder dat op 7 augustus 2025 het product Tubs één keer is afgerekend en dat dit door iemand anders dan [verzoekster] was gedaan.
Producten 14 augustus 2025
4.16.
[verweerster] heeft over de op 14 augustus 2025 niet door [verzoekster] afgerekende producten toegelicht dat [verzoekster] volgens het rapport van [bedrijfsnaam 1] op deze dag minimaal 25 producten heeft meegenomen. Zij is achter klanten aan door het toegangspoortje naar buiten gelopen, aldus [verweerster] . [verzoekster] erkent dat zij onder meer Glorix bleekmiddel original, Keukenrol Zizo, Spa blauw en Bolletje Echte beschuit heeft meegenomen, de producten die ook in de ontslagbrief worden genoemd. Zij stelt deze producten ook te hebben afgerekend. Daarnaast stelt [verzoekster] dat zij geen DB reinigingsdoekjes maar Bébé Toetenboeners heeft meegenomen.
4.17.
Uit het aanvullende rapport van [bedrijfsnaam 1] blijkt dat in het elektronische journaal OBP van [verweerster] op deze datum geen aankoop is geregistreerd van Zizo keukenrollen. De Glorix bleekmiddel original is op 14 augustus 2025 blijkens het elektronische journaal en de beelden van de aankopende klanten negen keer verkocht, maar [verzoekster] was daarvan niet de aankopende klant.
4.18.
[verzoekster] stelt dat zij op 14 augustus 2025 de door haar in de ontslagbrief genoemde producten heeft afgerekend door contant te betalen bij kassa 17. [verweerster] heeft zowel in het verweerschrift als op de zitting voldoende toegelicht dat in het kassa-volgsysteem alle aankopen, zowel contante betalingen als pinbetalingen, worden geregistreerd. Gelet daarop zou, als [verzoekster] de Zizo keukenrollen en de Glorix bleekmiddel original contant zou hebben afgerekend, dit ook uit het kassa-volgsysteem moeten blijken. Uit het kassa-volgsysteem blijkt dit echter niet. De stelling van [verzoekster] dat [verweerster] geen beelden van kassa 17 heeft overgelegd, maakt dit naar het oordeel van de kantonrechter niet anders. Als [verzoekster] , zoals zij stelt, op 14 augustus 2025 de vijf door [verweerster] genoemde producten contant zou hebben betaald, dan had dit uit het kassa-volgsysteem van [verweerster] moeten blijken. [verweerster] heeft tijdens de zitting toegelicht dat de beelden van 14 augustus 2025 van kassa 17, conform beleid, inmiddels zijn verwijderd. [verzoekster] heeft pas tijdens het tweede gesprek met de HR-adviseur - op 12 september 2025 - verteld dat zij op 14 augustus 2025 bij kassa 17 producten contant zou hebben afgerekend. Als [verzoekster] gelijk op 21 augustus 2025 had verteld dat zij bij kassa 17 had afgerekend, had [verweerster] deze beelden nog bewaard. Bij het bekijken van de beelden van 14 augustus 2025 door [bedrijfsnaam 2] is [verzoekster] volgens [verweerster] ook niet gezien bij kassa 17. De gemachtigde van [verweerster] heeft in zijn schriftelijke reactie van
11 december 2025 na afloop van de zitting nog bericht dat het aanvullende onderzoek naar de betalingen bij kassa 17 op 14 augustus 2025, niet aansluit bij de stelling van [verzoekster] en de door haar meegenomen producten.
4.19.
[verzoekster] heeft ook gesteld dat zij op 14 augustus 2025 de door [verweerster] genoemde producten en twee andere niet genoemde producten, in totaal zeven producten (Glorix, Zizo keukenrollen, Bolletje Beschuit, Toetenboeners, Spa blauw, Rittersport, een pot pindakaas en een statiegeldbon) in één run met € 20,00 heeft betaald. [verweerster] heeft er in het verweerschrift op gewezen dat volgens de camerabeelden [verzoekster] op 14 augustus 2025 om 16:01 uur met twee gevulde boodschappentassen de winkel heeft verlaten en minimaal
25 producten heeft meegenomen, zodat € 20,00 niet toereikend zou zijn geweest om deze boodschappen af te rekenen. Tijdens de zitting heeft [verzoekster] hierover gesteld dat zij op
14 augustus 2025 de zeven producten, ter waarde van circa € 17,00, contant heeft betaald en dat zij op deze datum tussendoor een aantal andere producten per pin heeft betaald. Uit de bankafschrijvingen die [verzoekster] vervolgens tijdens de zitting aan de gemachtigde van [verweerster] heeft getoond en de toelichting daarbij van [verzoekster] , blijkt dat [verzoekster] op die dag op drie verschillende tijdstippen via pinbetalingen drie losse producten, waaronder een broodje voor de pauze op het werk en een broccoli om mee naar huis te nemen, heeft afgerekend. Deze toelichting van [verzoekster] is ontoereikend gelet op het grote aantal producten dat op
14 augustus 2025 zichtbaar is in de tassen van [verzoekster] in samenhang met de door [verweerster] in de ontslagbrief genoemde producten, waaronder de Glorix bleekmiddel original en de Zizo Keukenrollen.
4.20.
Het is tussen partijen niet in debat dat [verweerster] een voor alle werknemers kenbaar en door haar strikt gehandhaafd zero tolerance beleid hanteert, zoals vastgelegd in haar bedrijfsreglement, waarbij elke vorm van diefstal, ook van producten die weinig waarde hebben, voor haar reden zijn voor ontslag op staande voet (artikel 3.20). Ook moeten privé-aankopen in de winkel worden betaald en de bijbehorende kassabon door de leidinggevende worden getekend (artikel 3.14). [verzoekster] heeft ter zitting opgemerkt dat bij het filiaal waar zij werkte sinds haar ontslag de bonnetjes van medewerkers wel gecontroleerd worden. [verweerster] heeft gemotiveerd betwist dat de bonnetjes van medewerkers tot het ontslag niet gecontroleerd werden. Volgens de verkoopleider van het filiaal vond de controle eerder ook al plaats. [verzoekster] heeft inmiddels een nieuwe baan. Naast de lange duur van haar dienstverband bij [verweerster] en haar goede functioneren, heeft [verzoekster] geen persoonlijke belangen gesteld, die zwaarder wegen dan de belangen van [verweerster] bij het voorkomen van diefstal door haar eigen personeel.
4.21.
De kantonrechter is daarom van oordeel dat [verweerster] voldoende heeft aangetoond dat sprake was van een dringende reden op grond waarvan zij [verzoekster] op staande voet mocht ontslaan.
[verweerster] heeft het ontslag op staande voet zo snel mogelijk (onverwijld) gegeven4.22. Het ontslag op staande voet is onverwijld gegeven. Op 15 augustus 2025 heeft de supermarktmanager [verzoekster] geschorst omdat zij verdacht werd van diefstal. Na een onderzoek door een extern onderzoeksbureau heeft [verweerster] het ontslag op 21 augustus 2025 mondeling meegedeeld en op 22 augustus 2025 schriftelijk bevestigd. In deze ontslagbrief heeft [verweerster] de meegenomen producten genoemd die [verzoekster] niet heeft afgerekend. Gelet op het verrichte onderzoek, waaronder het bekijken van camerabeelden en het nagaan van de betalingen in het kassa-volgsysteem, heeft [verweerster] voldoende voortvarend gehandeld en het ontslag op staande voet onverwijld gegeven. De omstandigheid dat [verzoekster] vanaf
15 augustus 2025 was geschorst op verdenking van diefstal, betekent niet, zoals [verzoekster] lijkt te stellen, dat [verweerster] op dat moment al ontslag op staande voet had moeten geven zonder eerst de resultaten van het onderzoek af te wachten en een hoorgesprek met [verzoekster] te voeren.
[verweerster] hoeft geen betalingen meer te doen aan [verzoekster]
4.23.
Omdat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is en er dus sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van [verzoekster] , wordt het verzoek van [verzoekster] tot betaling van een billijke vergoeding afgewezen. Ook de gevorderde vergoeding tot terugbetaling van de op het salaris ingehouden vergoeding voor onregelmatige opzegging wordt afgewezen, omdat door [verweerster] niet onregelmatig is opgezegd. Om dezelfde reden wordt het subsidiaire verzoek tot betaling van het loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren, ook afgewezen. De arbeidsovereenkomst is op
21 augustus 2025 geëindigd door een geldig ontslag op staande voet, zodat er geen opzegtermijn geldt.
4.24.
Het verzoek van [verzoekster] om [verweerster] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt ook afgewezen. De kantonrechter heeft hiervoor al geoordeeld dat sprake is van feiten en omstandigheden die een dringende reden opleveren voor het ontslag op staande voet. Omdat dit moet worden aangemerkt als ernstig verwijtbaar handelen van [verzoekster] is [verweerster] ook geen transitievergoeding verschuldigd.
[verweerster] hoeft de overige sanctiemaatregelen niet op te heffen
4.25.
[verweerster] hoeft de overige sanctiemaatregelen, de opname van [verzoekster] in het interne en het externe waarschuwingsregister en het winkelverbod, niet op te heffen. [verweerster] heeft [verzoekster] op basis van haar toepasselijke bedrijfsreglement (artikel 3.21) in de waarschuwingsregisters opgenomen omdat sprake is van een ontslag op staande voet. [verzoekster] heeft niet gesteld waarom deze opname en/of het winkelverbod onrechtmatig is.
Proceskosten
4.26.
De proceskosten komen voor rekening van [verzoekster] , omdat [verzoekster] ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoekster] . De proceskosten aan de zijde van [verweerster] worden begroot op € 949,00 (€ 814,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de verzoeken af,
5.2.
veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten van € 949,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoekster] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart deze beschikking wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad [3] .
Deze beschikking is gegeven door mr. C.J.M. Hendriks en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2026.
40160

Voetnoten

1.Artikel 7:677 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (BW).
2.Artikel 7:678 lid 1 en Pro lid 2 sub d BW.
3.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.