ECLI:NL:RBMNE:2026:948

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
UTR 24/3382
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet open overheidECLI:NL:RVS:2020:1560
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens intussen genomen beslissingen op Woo-verzoeken

Eiser heeft negen verzoeken om openbaarmaking van informatie ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van Montfoort op grond van de Wet open overheid (Woo). Nadat het college niet tijdig had beslist, stelde eiser op 29 april 2024 beroep in tegen het uitblijven van beslissingen.

De rechtbank heeft op 14 januari 2026 de zaak behandeld en vastgesteld dat het college inmiddels op alle negen Woo-verzoeken een beslissing heeft genomen. Hierdoor heeft eiser geen procesbelang meer bij het beroep tegen het niet tijdig beslissen en is het beroep niet-ontvankelijk.

Voor vier verzoeken heeft eiser bezwaar ingediend, waarvan de bezwaarprocedures nog lopen. Voor andere verzoeken zijn de beslissingen onherroepelijk of is geen bezwaar ingesteld. Omdat de beslissingen pas na het instellen van het beroep zijn genomen, moet het college het betaalde griffierecht van €187,- aan eiser vergoeden.

De rechtbank wijst het beroep af wegens gebrek aan procesbelang en bepaalt dat het griffierecht wordt terugbetaald. Er zijn geen proceskosten toegekend aan eiser. De uitspraak is gedaan door rechter G. Schnitzler op 20 februari 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op negen Woo-verzoeken is niet-ontvankelijk verklaard omdat het college inmiddels op alle verzoeken heeft beslist.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/3382

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Montfoort

(gemachtigde: mr. S. de Boer).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van 29 april 2024 dat eiser heeft ingesteld, omdat het college volgens hem niet op tijd heeft beslist op negen verzoeken om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet open overheid (Woo). De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of het college inmiddels heeft beslist op de verzoeken om openbaarmaking van informatie.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eisers beroep niet-ontvankelijk is, omdat het college inmiddels een beslissing heeft genomen op eisers Woo-verzoeken. Eiser heeft daarom geen procesbelang meer en het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Het college dient wel het griffierecht terug te betalen, omdat de beslissingen pas zijn genomen nadat eiser het beroep - tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvragen - heeft ingesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft negen verzoeken om openbaarmaking van informatie op grond van de Woo ingediend.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het uitblijven van beslissingen op zijn negen Woo-verzoeken.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

3. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1] In deze zaken is niet in geschil dat verweerder niet tijdig heeft beslist en ook niet tijdig heeft beslist na de verzonden ingebrekestellingen. De rechtbank beoordeelt in dit geval of het college inmiddels wel een beslissing heeft genomen op de negen Woo-verzoeken van eiser, omdat eiser in dat geval al heeft bereikt wat hij met dit beroep niet tijdig kon en hij dus geen belang meer heeft bij het beroep.
De verzoeken
4. Eiser heeft de volgende negen Woo-verzoeken ingediend:
Verzoek 1is ingediend op 30 december 2023. Eiser heeft op 28 februari 2024 een ingebrekestelling verstuurd naar verweerder, vanwege het uitblijven van een beslissing op zijn Woo-verzoek. Na het instellen van dit beroep op 29 april 2024 is op 24 november 2025 een beslissing genomen op het Woo-verzoek van eiser. Eiser heeft op 2 januari 2026 bezwaar ingediend tegen deze beslissing. Ter zitting hebben beide partijen bevestigd dat de bezwaarprocedure nog loopt.
Verzoek 2is ingediend op 31 december 2023. Eiser heeft op 28 februari 2024 een ingebrekestelling verstuurd naar verweerder, vanwege het uitblijven van een beslissing op zijn Woo-verzoek. Na het instellen van dit beroep op 29 april 2024 is op 1 mei 2024 een beslissing genomen op het Woo-verzoek van eiser. Eiser heeft geen bezwaar ingediend tegen deze beslissing en ter zitting heeft hij toegelicht dat hij ook geen intentie had of heeft dit te doen.
Verzoek 3is ingediend op 4 januari 2024. Eiser heeft op 18 maart 2024 een ingebrekestelling verstuurd naar verweerder, vanwege het uitblijven van een beslissing op zijn Woo-verzoek. Na het instellen van dit beroep op 29 april 2024 is op 22 december 2025 een beslissing genomen op het Woo-verzoek van eiser. De termijn om bezwaar in te dienen loopt nog.
Verzoek 4is ingediend op 8 januari 2024. Eiser heeft op 18 maart 2024 een ingebrekestelling verstuurd naar verweerder, vanwege het uitblijven van een beslissing op zijn Woo-verzoek. Na het instellen van dit beroep op 29 april 2024 is op 27 november 2025 een beslissing genomen op het Woo-verzoek van eiser. Eiser heeft op 29 december 2025 bezwaar ingediend tegen deze beslissing. Ter zitting hebben beide partijen bevestigd dat de bezwaarprocedure nog loopt.
Verzoek 5is ingediend op 12 januari 2024. Eiser heeft op 18 maart 2024 een ingebrekestelling verstuurd naar verweerder, vanwege het uitblijven van een beslissing op zijn Woo-verzoek. Na het instellen van dit beroep op 29 april 2024 is op 3 juni 2024 een beslissing genomen op het Woo-verzoek van eiser. Eiser heeft geen bezwaar ingediend tegen deze beslissing en ter zitting heeft hij toegelicht dat hij ook geen intentie had of heeft om dit te doen.
Verzoek 6is ingediend op 15 januari 2024. Eiser heeft op 18 maart 2024 een ingebrekestelling verstuurd naar verweerder, vanwege het uitblijven van een beslissing op zijn Woo-verzoek. Na het instellen van dit beroep op 29 april 2024 is op 24 maart 2025 een beslissing genomen op het Woo-verzoek van eiser en op 10 juli 2025 een beslissing op het bezwaar van eiser. Eiser heeft tegen de beslissing op bezwaar afzonderlijk beroep ingesteld bij deze rechtbank. Dit beroep is tezamen met de behandeling van dit beroep behandeld op de zitting van 14 januari 2026 ( UTR 25/4664).
Verzoek 7is ook ingediend op 15 januari 2024. Eiser heeft op 18 maart 2024 een ingebrekestelling verstuurd naar verweerder, vanwege het uitblijven van een beslissing op zijn Woo-verzoek. Na het instellen van dit beroep op 29 april 2024 is op 10 november 2025 een beslissing genomen op het Woo-verzoek van eiser. Eiser heeft op 15 december 2025 bezwaar ingediend tegen deze beslissing. Ter zitting hebben beide partijen bevestigd dat de bezwaarprocedure nog loopt.
Verzoek 8is ook ingediend op 15 januari 2024. Eiser heeft op 18 maart 2024 een ingebrekestelling verstuurd naar verweerder, vanwege het uitblijven van een beslissing op zijn Woo-verzoek. Na het instellen van dit beroep op 29 april 2024 is op 13 november 2025 een beslissing genomen op het Woo-verzoek van eiser. Eiser heeft op 16 december 2025 bezwaar ingediend tegen deze beslissing. Ter zitting hebben beide partijen bevestigd dat de bezwaarprocedure nog loopt.
Verzoek 9is ingediend op 31 januari 2024. Eiser heeft op 2 april 2024 een ingebrekestelling verstuurd naar verweerder, vanwege het uitblijven van een beslissing op zijn Woo-verzoek. Na het instellen van dit beroep op 29 april 2024 is op 5 juni 2024 een beslissing genomen op het Woo-verzoek van eiser. Eiser heeft op 15 december 2025 bezwaar ingediend tegen deze beslissing en heeft ter zitting toegelicht dat hij na de beslissing op bezwaar geen aanleiding heeft gezien om beroep in te stellen tegen de beslissing op bezwaar.
5. De rechtbank stelt vast dat het college op alle negen Woo-verzoeken heeft beslist waardoor het beroep niet tijdig beslissen voor zover gericht tegen die beslissingen, niet-ontvankelijk is. Eiser heeft namelijk geen procesbelang meer bij het beoordelen van het beroep in verband met het niet tijdig beslissen. Eiser heeft de rechtbank laten weten dat hij , ten aanzien van Woo-verzoek 1,3,4 en 7, zelf de nodige bezwaarschriften heeft ingediend of nog indient bij verweerder, waardoor doorzending niet nodig is. Het beroep ten aanzien van Woo-verzoek 6 is op de zitting van 14 januari 2026 door deze rechtbank behandeld ( UTR 25/4664) en de beslissingen ten aanzien van Woo-verzoek 2,5 en 9 zijn onherroepelijk. Gelet op het voorgaande bestaat er ten aanzien van geen van de onderhavige verzoeken aanleiding om dit beroep ook te behandelen als gericht tegen de daadwerkelijk genomen besluiten.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is niet-ontvankelijk. Omdat de besluiten zijn genomen na het instellen van het beroep moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van
mr.K.L.H. Thomas, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.