ECLI:NL:RBMNE:2026:926

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
16-158681-25
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 lid 1 Wet wapens en munitieArt. 27 lid 1 Wet wapens en munitieArt. 47 lid 1 Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken van beschikkingsmacht over automatische vuurwapens en munitie

De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 26 februari 2026 de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van het voorhanden hebben van twee automatische vuurwapens en bijbehorende munitie op 20 mei 2025 in Utrecht. De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, terwijl de verdediging vrijspraak verzocht.

De rechtbank oordeelde dat voor een veroordeling vereist is dat verdachte bewust en feitelijk macht heeft over het wapen of de munitie. Uit het dossier bleek dat verdachte samen met medeverdachten naar een woning ging waar twee automatische vuurwapens werden getoond. Verdachte was slechts toeschouwer en had geen toegang tot de wapens nadat de slaapkamerdeur op slot werd gedaan.

Gezien het korte tijdsverloop, het ontbreken van feitelijke beschikkingsmacht en de omstandigheden waaronder verdachte niet direct afstand kon nemen van de wapens, concludeerde de rechtbank dat de tenlastelegging niet bewezen kon worden. De verdachte werd daarom vrijgesproken. Tevens werd de in beslag genomen telefoon aan verdachte teruggegeven.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken omdat hij geen feitelijke beschikkingsmacht had over de wapens en munitie.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16-158681-25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 12 maart 2026 in de strafzaak van:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats] (Suriname),
ingeschreven op het adres: [adres] , [postcode] [plaats] ,
(hierna: de verdachte).

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 26 februari 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de officier van justitie: mr. J.P. Jansen;
  • de advocaat van de verdachte mr. M. Hoevers .

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
feit 1
op 20 mei 2025 te Utrecht, samen met anderen, een pistoolmitrailleur van het merk/model Heckler & Koch MP5, geschikt om automatisch te vuren, en 26 scherpe patronen, voorhanden heeft gehad;
feit 2
op 20 mei 2025 te Utrecht, samen met anderen, een pistool van het merk Glock model 23, geschikt om volautomatisch te vuren, en 6 scherpe patronen, voorhanden heeft gehad.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3.Vrijspraak

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten heeft gepleegd. Hetgeen de officier van justitie hiertoe heeft aangevoerd wordt – voor zover van belang voor de beoordeling – hieronder besproken bij het oordeel van de rechtbank.
De officier van justitie eist dat aan de verdachte een gevangenisstraf van 20 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren
wordt opgelegd.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van de feiten.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank oordeelt dat de feiten 1 en 2 niet zijn bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank legt hierna uit waarom.
De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling wegens het voorhanden hebben van een wapen of munitie in de zin van artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (hierna: WWM) is vereist dat de verdachte een wapen of munitie bewust aanwezig heeft gehad.
De in de rechtspraak van de Hoge Raad in dit verband gebruikte aanduiding van de ‘meer of mindere mate van bewustheid’ geeft aan dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen of de munitie, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of de munitie of tot de exacte locatie van dat wapen of die munitie. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad. [1]
Voorts is vereist dat de verdachte feitelijke macht over het wapen of de munitie kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. Daarvoor hoeft het wapen of de munitie zich niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. In bijzondere gevallen volstaat de enkele mogelijkheid tot het uitoefenen van feitelijke macht over het wapen of de munitie niet voor het oordeel dat de verdachte dat wapen of die munitie
voorhanden had in de zin van artikel 26 WWM Pro. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer iemand onverhoeds of ongewild kortstondig een wapen of munitie van een ander in handen
krijgt of wanneer iemand onverwacht kennis krijgt van de aanwezigheid in zijn nabijheid van
een wapen of munitie van een ander, terwijl hij redelijkerwijs daarvan niet direct afstand kan
nemen.
Uit het dossier en hetgeen ter zitting is besproken blijkt dat de verdachte, samen met medeverdachte [medeverdachte 1] , op straat is uitgenodigd door medeverdachte [medeverdachte 2] om naar diens woning te komen om drank en drugs te gebruiken. De verdachte is meegegaan naar de woning en in de woonkamer zijn gezamenlijk drank en drugs gebruikt. [medeverdachte 2] heeft de verdachte en [medeverdachte 1] vervolgens meegenomen naar zijn slaapkamer waar hij hen twee automatische vuurwapens heeft laten zien. De verdachte heeft toegekeken terwijl [medeverdachte 2] een automatisch vuurwapen in handen van [medeverdachte 1] gaf en daarbij uitleg verschafte over de (uit)werking van de munitie. Kort daarna hebben de verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de slaapkamer weer verlaten en heeft [medeverdachte 2] de slaapkamerdeur op slot gedraaid.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte in juridische zin geen wapens en munitie voorhanden heeft gehad. Hoewel de verdachte zich in de directe nabijheid van twee automatische vuurwapens en munitie bevond en zich daarvan ook bewust is geweest, is van beschikkingsmacht bij de verdachte over die wapens of munitie in dit geval geen sprake geweest. Verdachte was gedurende korte tijd toeschouwer bij het tonen van vuurwapens en munitie door medeverdachte [medeverdachte 2] , in de slaapkamer van diens woning, terwijl hij tevoren niet van de aanwezigheid van de wapens en munitie in de woning op de hoogte was. Na het tonen van de wapens en munitie heeft de verdachte de slaapkamer verlaten en heeft [medeverdachte 2] deze afgesloten door de deur op slot te draaien. De verdachte had daarna geen toegang meer gehad tot de wapens en munitie. Gelet op het korte tijdsverloop en voormelde gang van zaken kan niet gezegd worden dat de verdachte beschikkingsmacht over de wapens en munitie heeft kunnen uitoefenen. De verdachte heeft de wapens en munitie bijvoorbeeld niet kunnen afvuren, weggooien, verstoppen, meenemen of verkopen. Onder de betreffende omstandigheden kon bovendien niet van de verdachte worden gevergd dat hij, direct afstand van de wapens en munitie zou nemen door de woning te verlaten. Dit had wellicht een reactie uitgelokt waardoor zijn veiligheid in gevaar werd gebracht.
Dit betekent dat de verdachte van het tenlastegelegde zal worden vrijgesproken.

4.In beslag genomen voorwerpen

De rechtbank is met de officier van justitie en de advocaat van oordeel dat de in beslag genomen telefoon van de verdachte aan hem moet worden teruggegeven.

5.De beslissing

De rechtbank:
-
verklaart niet bewezendat de verdachte de feiten 1 en 2 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
beslag ten aanzien van feit 1 en 2
- gelast de teruggave aan verdachte van het volgende voorwerp:
 een Samsung A71, goednummer G3531050.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.M. Reijnierse, voorzitter, mr. J. Edgar en mr. M.J. Terstegge, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.E. van Wiggen, griffier en is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 20 mei 2025 te Utrecht, althans in Nederland, tezamen en in
vereniging met anderen, althans alleen,
- een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een
vuurwapen, pistoolmitrailleur, van het merk/model Heckler & Koch MP5, kaliber
9x19mm, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren
en/of
- munitie van categorie III van de wet wapens en munitie, te weten een hoeveelheid
(26) scherpe kogelpatronen,
voorhanden heeft gehad;
( art 26 lid 1 Wet Pro wapens en munitie, art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
2
hij op of omstreeks 20 mei 2025 te Utrecht, althans in Nederland, tezamen en in
vereniging met anderen, althans alleen,
- een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een
vuurwapen, pistool, van het merk Glock, model 23, kaliber .40, zijnde een
vuurwapen geschikt/bestemd om volautomatisch te vuren
en/of
- munitie van categorie III van de wet wapens en munitie, te weten een hoeveelheid
(6) scherpe kogelpatronen,
voorhanden heeft gehad en/of heeft gedragen
( art 26 lid 1 Wet Pro wapens en munitie, art 27 lid 1 Wet Pro wapens en munitie, art 47 lid Pro 1
ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

Voetnoten

1.Zie Hoge Raad 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:504, rov. 2.4, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.