ECLI:NL:RBMNE:2026:916

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
UTR 25/2542
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet hersteloperatie toeslagenCatshuisregeling
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang bij lichte toets toeslagenaffaire

Eiseres heeft zich gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Dienst Toeslagen voerde een lichte toets uit en weigerde haar als gedupeerde aan te merken, waarna eiseres bezwaar maakte. Dit bezwaar werd ongegrond verklaard en eiseres stelde beroep in tegen het besluit van 24 maart 2025.

De rechtbank beoordeelde ambtshalve of eiseres voldoende procesbelang had bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen de lichte toets. De rechtbank oordeelde dat het beroep feitelijk geen resultaat kan opleveren omdat de integrale beoordeling, die een diepgaandere herbeoordeling inhoudt, al heeft plaatsgevonden en ook tot de conclusie kwam dat eiseres geen gedupeerde is.

Eiseres stelde dat de rechtbank kon oordelen dat de lichte toets onjuist was en dat dit door kon werken in de bezwaarprocedure over de integrale beoordeling. De rechtbank verwierp dit en stelde dat alleen in de bezwaarprocedure tegen de integrale beoordeling het gewenste resultaat kan worden bereikt.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en wees zij de vergoeding van griffierecht en proceskosten af. Partijen werden gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit over de lichte toets wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2542
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [Land] , eiseres

(gemachtigde: mr. P.W.E. Ros),
en

Dienst Toeslagen, kantoor Utrecht

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).

Inleiding

1. Eiseres heeft zich bij Dienst Toeslagen gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om een herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
2. Dienst Toeslagen heeft vervolgens een zogeheten ‘lichte toets’ uitgevoerd. Bij die toets is gekeken of eiseres als gedupeerde kan worden aangemerkt en daarmee in aanmerking komt voor het vaste compensatiebedrag van € 30.000,- (op basis van de Catshuisregeling). Met het besluit van 19 december 2024 heeft Dienst Toeslagen eiseres niet als gedupeerde aangemerkt waardoor zij geen recht had op compensatie.
3. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt. Dit bezwaar heeft Dienst Toeslagen met het besluit van 24 maart 2025 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
3.1.
Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.2.
De rechtbank heeft het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit van Dienst Toeslagen van 24 maart 2025 op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. L. Hofman als waarnemer van de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van Dienst Toeslagen.
3.3.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten of griffierecht te vergoeden.

Overwegingen

5. De rechtbank beoordeelt eerst ambtshalve de vraag of eiseres voldoende procesbelang heeft bij een inhoudelijk oordeel over de bestreden besluiten.
6. Op grond van vaste rechtspraak geldt als uitgangspunt dat pas sprake is van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat eiseres met het indienen van beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor eiseres feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.
7. In deze procedure gaat het over het besluit waarin het resultaat van de lichte toets is neergelegd. Deze eerste toets wordt gevolgd door een integrale beoordeling, waarin dieper op de omstandigheden wordt ingegaan. Die integrale beoordeling heeft inmiddels plaatsgevonden en ook op grond daarvan heeft Dienst Toeslagen vastgesteld dat eiseres geen gedupeerde is en dat zij niet in aanmerking komt voor € 30.000,-. Eiseres heeft tegen dit besluit inmiddels een bezwaarschrift ingediend, deze procedure loopt nog.
8. Eiseres voert aan dat zij procesbelang heeft, omdat de rechtbank kan oordelen dat de lichte toets niet goed is gegaan. Het oordeel van de rechtbank kan volgens eiseres doorwerken in de bezwaarprocedure over de integrale beoordeling. Verder voert eiseres aan dat zij in de huidige procedure over de lichte toets in aanmerking kan komen voor de € 30.000,- van de Catshuisregeling als blijkt dat de lichte toets niet op de juiste wijze heeft plaatsgevonden. Eiser verwijst hiertoe naar de uitspraak van rechtbank Rotterdam van 17 oktober 2025. [1]
9. Naar het oordeel van de rechtbank kan eiseres feitelijk met dit beroep niet bereiken dat zij als gedupeerde wordt aangemerkt. Met de integrale beoordeling is een volledige herbeoordeling van het verzoek van eiseres verricht. Dat houdt in dat er grondiger (dan bij de lichte toets) is gekeken naar de situatie van eiseres en naar de vraag of zij als gedupeerde aangemerkt moet worden. Daarbij is ook heroverwogen of de lichte toets anders had moeten uitpakken en of eiseres toch wel recht had op compensatie uit de Catshuisregeling. Als dat zo zou zijn geweest, dan zou Dienst Toeslagen bij de integrale beoordeling die compensatie alsnog uitkeren, met wettelijke rente over de periode dat eiseres de compensatie heeft moeten missen omdat eerder bij de lichte toets een foute beoordeling is gemaakt. De integrale beoordeling haalt dus de beoordeling van de lichte toets in.
10. Vanwege de integrale beoordeling waarin is vastgesteld dat eiseres geen gedupeerde is, heeft de uitkomst van deze beroepsprocedure voor eiseres geen feitelijke betekenis. Eiseres moet haar argumenten waarom zij wél gedupeerde is, aanvoeren in het kader van de bezwaarprocedure (en een eventuele beroepsprocedure) naar aanleiding van het besluit in de integrale beoordeling. Daar kan eiseres – als ze gelijk krijgt – bereiken wat zij wil, namelijk dat zij als gedupeerde wordt aangemerkt en compensatie krijgt. De rechtbank volgt niet het betoog van eiseres dat de rechtbank haar in deze procedure over de lichte toets kan aanmerken als gedupeerde. De rechtbank kan in deze procedure hooguit constateren dat de voorbereiding en besluitvorming naar aanleiding van de lichte toets onzorgvuldig zijn geweest en dan Dienst Toeslagen opdragen hier opnieuw naar te kijken. Dat is iets anders dan dat de rechtbank eiseres als gedupeerde aanmerkt en oordeelt dat zij in aanmerking komt voor compensatie. Bij haar beroep tegen de lichte toets kan dat niet en heeft eiseres dus geen procesbelang.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
12. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026 door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.