ECLI:NL:RBMNE:2026:893

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
UTR 25/1104
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens vergeten gehandicaptenparkeerkaart

Eiser ontving een naheffingsaanslag parkeerbelasting omdat hij zijn auto voor zijn woning parkeerde zonder de gehandicaptenparkeerkaart en blauwe parkeerschijf zichtbaar achter de voorruit te leggen. In Hilversum geldt dat houders van een gehandicaptenparkeerkaart drie uur gratis mogen parkeren mits aan deze zichtbaarheidseis wordt voldaan.

Eiser betoogde dat hij de kaart was vergeten neer te leggen en verwees naar persoonlijke omstandigheden zoals het recent ingevoerde betaald parkeren, werkzaamheden aan de oprit en het afzetten van zijn echtgenote. De rechtbank erkent deze omstandigheden, maar stelt dat het niet aan haar is om soepelheid te betrachten; dit is de taak van de heffingsambtenaar.

De rechtbank verwijst naar een recente uitspraak van de Hoge Raad waarin is bepaald dat verwijtbaarheid geen rol speelt bij de beoordeling van naheffingsaanslagen en dat alleen in uitzonderlijke gevallen, zoals een acute noodsituatie, maatwerk mogelijk is. Omdat dergelijke uitzonderingen hier niet aan de orde zijn, wordt het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard omdat eiser zijn gehandicaptenparkeerkaart en blauwe parkeerschijf niet zichtbaar had neergelegd.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/1104

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] uit [plaats] , eiser

en

de heffingsambtenaar van gemeente Hilversum, verweerder.

Inleiding

1. Op 24 december 2024 om 10:57 uur heeft een parkeercontroleur geconstateerd dat de auto van eiser, met het kenteken [kenteken] , geparkeerd stond aan de [straat] in [plaats] zonder dat de parkeerbelasting was voldaan. Met de beschikking van 3 januari 2025 heeft de heffingsambtenaar eiser hiervoor een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 79,60.
2. Eiser heeft bezwaar gemaakt. Met de uitspraak op bezwaar van 14 januari 2025 heeft de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag echter in stand gelaten.
3. Vervolgens heeft eiser beroep ingesteld. Het beroep is op 27 februari 2026 bij de rechtbank op een zitting behandeld. Eiser is verschenen, samen met zijn dochter en zijn echtgenote. De heffingsambtenaar is zonder voorafgaand bericht, niet verschenen.

Overwegingen

4. De heffingsambtenaar heeft aan de uitspraak op bezwaar ten grondslag gelegd dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. In gemeente Hilversum mag de houder van een gehandicaptenparkeerkaart gratis parkeren voor 3 uur, maar dan geldt wel de verplichting om de gehandicaptenparkeerkaart samen met een parkeerschijf achter de voorruit te plaatsen. Een gehandicaptenparkeerkaart is niet kenteken-gebonden, zodat de kaart in elk voertuig kan worden gebruikt. De keerzijde daarvan is echter dat de fraudegevoeligheid van een gehandicaptenparkeerkaart groot is. De kaart kan immers ook door iemand anders worden gebruikt die hiertoe niet bevoegd is, als de houder zijn kaart bijvoorbeeld even ‘uitleent’. Om de kans op misbruik van gehandicaptenparkeerkaarten zo klein mogelijk te houden worden de spelregels rondom gehandicaptenparkeerkaarten in [plaats] strikt toegepast. Alle bezwaarschriften waarbij pas achteraf een gehandicaptenparkeerkaart wordt getoond worden daarom ongegrond verklaard, aldus de heffingsambtenaar.
5. Eiser vindt het onrechtvaardig dat hij een naheffingsaanslag heeft gekregen. Hij woont al 52 jaar aan de [straat] in [plaats] waar voorheen altijd gratis kon worden geparkeerd. De gemeente Hilversum heeft het betaald parkeergebied in de gemeente pas onlangs gefaseerd (per gebied) uitgebreid. De [straat] geldt pas vanaf 1 november 2024 als betaald parkeergebied. Eiser en zijn echtgenote zijn op leeftijd. Op de betreffende 24 december 2024 had eiser zijn echtgenote juist afgezet bij de kapper toen hij de auto bij thuiskomst (om ongeveer 10:40 uur) op straat moest parkeren. Aan de oprit van hun woning werd op dat moment namelijk gewerkt. Eiser en zijn echtgenote hebben hun oprit laten vergroten, zodat hun kinderen ook op de oprit kunnen parkeren als zij langskomen. Zo’n 20 minuten later besefte eiser dat hij zijn gehandicaptenparkeerkaart nog in het dashboardkastje had laten liggen, maar toen hij bij zijn auto kwam was het al te laat. Gelet op al deze specifieke omstandigheden van het geval (de echtgenote van eiser moest met de auto worden weggebracht; het betaald parkeren was pas net ingevoerd; er werd juist op die dag aan de oprit gewerkt, en eiser heeft gewoon een gehandicaptenparkeerkaart maar was die alleen even vergeten) vindt eiser het onrechtvaardig dat hij een naheffingsaanslag heeft gekregen.
6. Hoewel de rechtbank het graag zou willen, kan zij eiser geen gelijk geven in de zaak. Vaststaat, en dat is tussen partijen ook niet in geschil, dat er op 24 december 2024 aan de [straat] vanaf 09:00 uur parkeerbelasting moest worden betaald. Voor houders van een gehandicaptenparkeerkaart heeft de gemeenteraad van de gemeente Hilversum buitenwettelijk begunstigend beleid opgesteld. [1] Hierin is bepaald dat de houder van een gehandicaptenparkeerkaart op alle openbare parkeerplaatsen op straat drie uren (achtereen) gratis mag parkeren. De parkeertijd moet dan wel worden aangetoond met de blauwe parkeerschijf. Eiser had zijn gehandicaptenparkeerkaart en de blauwe parkeerschijf op 24 december 2024 om 10:57 uur niet zichtbaar achter de voorruit neergelegd, zodat niet aan de regels voor vrij parkeren was voldaan. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de situatie van eiser en zich ook goed kan voorstellen dat het is gegaan zoals het is gegaan, is het niet aan de rechtbank, maar aan de heffingsambtenaar om te bepalen of, en zo ja, in welke situatie er soepel kan worden omgegaan met de regels en wanneer er een oogje kan worden toegeknepen. De rechtbank kan daarin niet op de stoel van het bestuursorgaan gaan zitten.
7. Dat komt omdat de hoogste rechter in dit soort zaken, de Hoge Raad, recent nog heeft geoordeeld dat verwijtbaarheid of het ontbreken daarvan geen rol mag spelen bij de beoordeling door de rechtbank van een naheffingsaanslag. Ook heeft de rechtbank geen ruimte om vanwege persoonlijke omstandigheden de naheffingsaanslag te matigen of op nihil te stellen. Dat komt omdat een naheffingsaanslag zoals die aan eiser is opgelegd een zogenaamde objectieve belasting is: als iemand vergeten is parkeergeld te betalen of, in dit geval, zijn gehandicaptenparkeerkaart en parkeerschrijf vergeten is neer te leggen, dan is dat juridisch voldoende om de naheffingsaanslag parkeerbelasting op te leggen. Slechts in het uitzonderlijke geval dat iemand niet in redelijkheid de mogelijkheid heeft gehad om de parkeerbelasting te voldoen, kan de rechtbank oordelen dat de naheffingsaanslag achterwege moet blijven. Iemand moet bijvoorbeeld wel genoeg tijd hebben gehad om geld in de parkeermeter te doen of zijn parkeerapp aan te zetten. Een uitzonderlijk geval kan zich ook voordoen als van de belastingplichtige door onvoorziene omstandigheden, zoals een acute noodsituatie, redelijkerwijs niet kan worden gevraagd de parkeerbelasting te voldoen. Buiten deze gevallen bestaat voor de rechtbank geen mogelijkheid maatwerk te leveren en heeft de rechtbank geen ruimte om rekening te houden met persoonlijke omstandigheden of de mate van verwijtbaarheid. [2]
8. Omdat in het geval van eiser geen sprake is van een van de hiervoor omschreven uitzonderlijke gevallen, heeft de rechtbank niet de ruimte om de naheffingsaanslag te vernietigen. Dat betekent dat het beroep van eiser ongegrond moet worden verklaard, en dat er voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding bestaat.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van mr. N.K. Boer – de Bruin, griffier. De beslissing is uitgesproken op 6 maart 2026.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Het Parkeerbeleid Hilversum 2023.
2.Hoge Raad, 25 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1535.