ECLI:NL:RBMNE:2026:878

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
10/284028-24 (P), 96/166183-25 (t.t.z. gevoegd)
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 282a SrArt. 282 SrArt. 312 SrArt. 47 SrArt. 77a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak gijzeling, veroordeling diefstal met geweld en wederrechtelijke vrijheidsberoving

De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 10 maart 2026 de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van gijzeling, diefstal met geweld en rijden zonder rijbewijs. De primaire gijzeling ten laste gelegd werd verworpen omdat niet is gebleken dat een ander dan het slachtoffer werd gedwongen iets te doen of na te laten, zoals vereist volgens artikel 282a Sr.

De rechtbank verklaarde bewezen dat verdachte samen met anderen het slachtoffer wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd en met geweld sieraden, horloge en telefoons heeft weggenomen. Dit gebeurde onder meer door het slachtoffer tegen zijn wil in een auto te duwen en hem te verhinderen te vluchten. Verdachte werd ook veroordeeld voor het besturen van een bromfiets zonder rijbewijs.

De straf bestaat uit 180 dagen jeugddetentie, met aftrek van 100 dagen voorarrest, waarvan 80 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden zoals intensieve begeleiding en elektronisch toezicht. Daarnaast werd een werkstraf van 80 uur opgelegd, vervangbaar door 40 dagen jeugddetentie. De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, persoonlijke omstandigheden van verdachte, en het positieve verloop van het reclasseringstoezicht.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van gijzeling, veroordeeld tot 180 dagen jeugddetentie deels voorwaardelijk en 80 uur werkstraf voor diefstal met geweld, wederrechtelijke vrijheidsberoving en rijden zonder rijbewijs.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummers: 10/284028-24 (P), 96/166183-25 (t.t.z. gevoegd)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 10 maart 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2007 in [geboorteplaats] ,
verblijvende op het adres [adres] , [postcode] in [plaats] ,
(hierna: [verdachte] ).

1.Zitting

De strafzaak van [verdachte] is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van 27 januari 2026. Het onderzoek is, met instemming van de advocaat van [verdachte] en de officier van justitie, gesloten op 10 maart 2026, waarna direct uitspraak is gedaan.
Op de zitting waren aanwezig:
  • [verdachte] ;
  • de officier van justitie: mr. N. Schapendonk (hierna: de officier van justitie);
  • de advocaat van [verdachte] : mr. E.G.S. Roethof (hierna: de advocaat);
  • de jeugdreclasseerder bij Samen Veilig (hierna: SAVE).

2.Tenlastelegging

De rechtbank nummert de bij de dagvaardingen met de parketnummers 10/284028-24 en 96/166183-25 ten laste gelegde feiten respectievelijk als de feiten 1 en 2 en feit 3.
De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat hij, samengevat:
feit 1
primair
op 2 september 2024 te Rotterdam, althans in Nederland, samen met anderen [aangever] heeft gegijzeld;
subsidiair
op 2 september 2024 te Rotterdam, althans in Nederland, samen met anderen [aangever] van zijn vrijheid heeft beroofd;
feit 2
op 2 september 2024 te Rotterdam samen met anderen met geweld goederen van [aangever] heeft weggenomen;
feit 3
op 29 mei 2025 te Almere een bromfiets heeft bestuurd zonder dat daarvoor een rijbewijs was afgegeven.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat [verdachte] de feiten 1 primair, 2 en 3 heeft gepleegd.
De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 4.3.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van verzoekt de rechtbank om [verdachte] vrij te spreken van de feiten 1 en 2 omdat hij stelt dat het niet kunnen terugvinden van het volgens de aangever gebruikte vuurwapen maakt dat diens verklaring ongeloofwaardig is. Alhoewel er punten uit de verklaring van de aangever wel kloppen, kan dit niet leiden tot de vaststelling dat [verdachte] medepleger is geweest van een gijzeling en een diefstal.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Vrijspraak feit 1 primair
De rechtbank oordeelt dat niet is bewezen dat [verdachte] en zijn medeverdachten zich schuldig hebben gemaakt aan de primair ten laste gelegde gijzeling. Bij gijzeling staat voorop dat de dader het doel heeft gehad een ander dan de gegijzelde te dwingen iets te doen of niet te doen (ECLI:NL:HR:2015:1695). In deze zaak betekent dit dat om van gijzeling te spreken een ander dan aangever [aangever] moet zijn gedwongen iets te doen of niet te doen. In de tenlastelegging wordt “de ander” aangeduid als [aangever] (aangever) zelf. Daarmee kan een bewezenverklaring van deze tenlastelegging niet leiden tot veroordeling voor gijzeling. Voor zover in de tenlastelegging een ander dan [aangever] is bedoeld (en de tenlastelegging dus een misslag bevat), moet dit ook leiden tot vrijspraak. Het is immers enkel [aangever] zelf geweest die is gedwongen tot het betalen van een geldbedrag en het leveren van machines. Dat [aangever] zijn broer heeft gebeld, doet er niet toe. Deze broer is door de daders namelijk niet, direct of indirect, benaderd om iets te betalen of te leveren in ruil voor bijvoorbeeld het vrijlaten van [aangever] of anderszins. Er is dus geen sprake geweest van een gijzeling als bedoeld in artikel 282a Sr. De rechtbank spreekt [verdachte] daarom vrij van het onder 1 primair ten laste gelegde feit.
3.3.2.
Bewijsmiddelen feiten 1 subsidiair en 2
De rechtbank oordeelt dat de feiten 1 subsidiair en 2 zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis zijn uitgewerkt. Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
3.3.3.
Bewijsoverwegingen feiten 1 subsidiair en 2
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de aangever met twee van de verdachten, waaronder [verdachte] , is meegelopen uit zijn hotel. Uit beelden en uit een getuigenverklaring blijkt dat de aangever vervolgens buiten het hotel in een auto is geduwd, om hulp heeft geroepen en dat die auto op hoge snelheid is weggereden. De aangever zat toen in het midden van de achterbank en kon niet wegkomen. Uit diverse chatgesprekken blijkt dat er van tevoren is gesproken van een ‘klus’ waarbij in het gesprek meerdere keren ook het woord ‘ [woord] ’ genoemd is. Zowel de bestuurder als bijrijder van de voornoemde auto staan op een foto in ditzelfde chatgesprek. Van tevoren is in chats besproken wie er naar het hotel gingen en wie in of bij de auto zouden blijven. [verdachte] heeft in een chat bij één van zijn medeverdachten aangegeven dat de aangever in het midden terecht moest komen, zodat hij niet kon vluchten. Het aandeel van [verdachte] is met het voorgaande van voldoende gewicht om te spreken van een nauwe en bewuste samenwerking.
Volgens de aangever zou er in de auto een vuurwapen zijn gebruikt. Dit vuurwapen zou uit de auto zijn gegooid toen de politie de auto achtervolgde. De politie heeft later echter geen vuurwapen (op de weg) aangetroffen. Dit maakt niet dat daarmee de verklaring van de aangever ongeloofwaardig is. Zijn verhaal wordt immers op vele punten juist wel ondersteund door ander bewijs. Het maakt wel dat de rechtbank niet kan vaststellen dat het mogelijk gebruikte wapen een vuurwapen is geweest zoals tenlastegelegd. Hiervoor is in het dossier ook geen ander bewijs ter ondersteuning te vinden. Daarom zal de rechtbank [verdachte] voor dit deel van de tenlastelegging vrijspreken.
3.3.4.
Bewijsmiddelen feit 3
[verdachte] bekent dat hij feit 3, namelijk rijden zonder rijbewijs, heeft gepleegd, zoals dit hieronder bewezen is verklaard. Door of namens hem is ook niet om vrijspraak van dat feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt in bijlage II daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat [verdachte] :
feit 1 subsidiairop 2 september 2024 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [aangever] , wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door
- zich voor te doen als de zoon van de koper, en
- die [aangever] naar een voertuig te leiden, en
- die [aangever] onverhoeds tegen zijn wil in vast te pakken en in voornoemd voertuig te trekken en/of te duwen, en
- aan weerszijden van die [aangever] in het voertuig plaats te nemen, en
- enige tijd met die [aangever] in de auto (met hoge snelheid) te rijden en
- meerdere telefoons van die [aangever] af te pakken en de simkaarten eruit te halen, en
- fysiek geweld tegen die [aangever] te gebruiken;
feit 2op 2 september 2024 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, een horloge en meerdere sieraden en meerdere telefoons die geheel aan [aangever] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [aangever] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- die [aangever] naar een voertuig te geleiden, en
- die [aangever] onverhoeds tegen zijn wil in vast te pakken en in voornoemd voertuig te trekken of te duwen, en
- aan weerzijden van die [aangever] in het voertuig te gaan zitten, en
- de ringen van de vingers van die [aangever] te trekken, en
- het horloge van de pols van die [aangever] af te nemen, en
- telefoons van die [aangever] af te pakken, en
- fysiek geweld te gebruiken;
feit 3
op 29 mei 2025, te Almere , als bestuurder van een motorrijtuig (tweewielige bromfiets) heeft gereden op de weg, de Evenaar, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen waartoe dat motorrijtuig behoorde.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. [verdachte] wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt [verdachte] niet.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

De feiten 1 subsidiair, 2 en 3 zijn strafbaar.
De feiten 1 subsidiair, 2 en 3 worden gekwalificeerd als:
feit 1 subsidiair:
medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven
feit 2:
diefstal, vergezeld van geweld/bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen
feit 3:
overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994
Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluit. [verdachte] is dan ook strafbaar.

5.Straf

5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat [verdachte] wordt veroordeeld tot:
- een jeugddetentie van 180 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 80 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad en daarnaast een contactverbod met de medeverdachten;
- een taakstraf van 80 uur, te vervangen door 40 dagen hechtenis als [verdachte] deze taakstraf niet of niet goed uitvoert.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert aan dat bij het bepalen van de straf rekening moet worden gehouden met het feit dat [verdachte] al 14 maanden een enkelband draagt. Het dragen van een enkelband moet als straf worden gezien. Het onvoorwaardelijke deel van een op te leggen straf moet niet hoger zijn dan de tijd die [verdachte] al in voorlopige hechtenis heeft gezeten. De advocaat verzoekt primair om een geheel voorwaardelijke taakstraf op te leggen. Dit vanwege het feit dat [verdachte] thuis de zorg draagt over drie kinderen. Een taakstraf kan te veel zijn voor hem. Subsidiair verzoekt de advocaat een deels voorwaardelijke taakstraf op te leggen.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan [verdachte] op een jeugddetentie van 180 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 80 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daaraan koppelt de rechtbank de voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad en daarnaast een contactverbod met de medeverdachten en het slachtoffer. De rechtbank bepaalt dat de elektronische monitoring maximaal 6 maanden mag duren. Ook legt de rechtbank een taakstraf op in de vorm van een werkstraf van 80 uren, te vervangen door 40 dagen jeugddetentie.
Bij het bepalen van de straffen houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder [verdachte] deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van [verdachte] en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
5.3.1.
Ernst en omstandigheden van de feiten
[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal met geweld en wederrechtelijke vrijheidsberoving.
De aangever ging uit van een zakelijke afspraak, waarvoor hij vanuit Suriname naar Nederland kwam. Eenmaal aangekomen in het hotel, ontmoette hij niet degene met wie hij dacht een afspraak te hebben, maar [verdachte] en een mededader die beweerden afgevaardigden te zijn om de deal te sluiten. Op het moment dat er geld geteld zou worden in de auto en de aangever documenten gereed maakte, belandde hij tegen zijn wil in de auto en reed deze weg. De aangever kon op dat moment niet wegkomen, omdat hij tussen twee mededaders in zat. In de auto werden met geweld zijn persoonlijke spullen afgenomen, zoals zijn telefoons, ringen en een horloge. Deze situatie moet heel beangstigend voor de aangever zijn geweest.
Met het plegen van deze feiten hebben [verdachte] en zijn mededaders alleen aan zichzelf en het snel verdienen van geld gedacht. Zij hebben helemaal geen rekening gehouden met de gevolgen voor het slachtoffer.
Ook heeft [verdachte] een bromfiets bestuurd zonder dat hij een rijbewijs heeft, waarmee hij de verkeersveiligheid in gevaar heeft gebracht.
5.3.2.
Persoonlijke omstandigheden van [verdachte]
De rechtbank heeft gekeken naar:
  • het strafblad van [verdachte] van 9 december 2025. [verdachte] is niet eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld en de rechtbank neemt het strafblad daarom niet verder mee in haar overweging;
  • een psychologisch onderzoek naar [verdachte] van 9 maart 2025, opgesteld door een GZ-psycholoog van het NIFP;
  • een advies van de Raad van 22 januari 2026;
  • een advies van SAVE van 21 januari 2026.
Het psychologisch onderzoek
In het rapport stelt de GZ-psycholoog bij [verdachte] een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling, zwakbegaafdheid en een achterstand in de sociaal-emotionele ontwikkeling vast. De GZ-psycholoog heeft onvoldoende zicht op [verdachte] gekregen om een antwoord te geven op de vraag of het voorgaande van invloed is geweest ten tijde van het bewezen verklaarde. Uit het rapport blijkt dat dat [verdachte] vooral voor eigen gewin lijkt te gaan en moeilijk is te sturen. De GZ-psycholoog adviseert een woonsituatie met veel sturing, begrenzing en affectieve ondersteuning, een behandeling gericht op de persoonlijkheidsontwikkeling, deelname aan een mbo-schoolprogramma, gestructureerde vrijetijdsbesteding en een jeugdreclasseringskader in de vorm van ITB Harde Kern en elektronisch toezicht (hierna: enkelband).
De adviezen van de Raad en SAVE
SAVE schat het recidiverisico als hoog in. Er is sprake van meerdere problemen die behandeling nodig hebben om de bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling te doorbreken. Om een zo gunstig mogelijke ontwikkeling te bevorderen en het recidiverisico te beperken wordt het continueren van een strak, gestructureerd kader als essentieel gezien.
Tijdens de zitting gaf SAVE aan dat [verdachte] zich op dit moment goed houdt aan alle afspraken. [verdachte] draagt bij aan de stabiliteit in het gezin thuis. [verdachte] heeft zijn leven momenteel op de rit en hij heeft een doel voor de toekomst. Een onvoorwaardelijke jeugddetentie zou die doelen in de weg zitten. De Raad en SAVE adviseren [verdachte] een deels voorwaardelijke straf op te leggen, met – samengevat – de volgende bijzondere voorwaarden:
• begeleiding in het kader van ITB Harde Kern;
• behandeling bij de Waag;
• ambulante behandeling;
• enkelband;
• dagbesteding.
Daarnaast wordt de oplegging van een taakstraf geadviseerd.
5.3.3.
Jeugdstrafrecht
[verdachte] was ten tijde van feit 3 meerderjarig. Gegeven de hiervoor genoemde conclusies van de deskundigen dat [verdachte] nog kan profiteren van een pedagogische benadering, ziet de rechtbank dat [verdachte] hulp kan gebruiken bij zijn opvoeding en ontwikkeling. De rechtbank zal daarom ook ten aanzien van feit 3 – en dus voor alle feiten – het jeugdstrafrecht toepassen.
5.3.4.
Straffen
De bewezen verklaarde feiten zijn ernstig en een onvoorwaardelijke jeugddetentie is daarvoor een passende straf.
Maar, gelet op de positieve verloop van het huidige reclasseringstoezicht en het feit dat [verdachte] concreet bezig is met zijn toekomst, vindt de rechtbank het niet wenselijk als [verdachte] nu terug naar de jeugdgevangenis moet. De rechtbank zal daarom een jeugddetentie opleggen waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest. De rechtbank vindt een voorwaardelijk deel met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad passend, zodat [verdachte] wordt gemotiveerd om niet nogmaals strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal de maximale duur van de enkelband beperken tot 6 maanden.
Daarnaast vindt de rechtbank het van belang dat [verdachte] ook een taakstraf krijgt, zodat [verdachte] ook op die manier de gevolgen van zijn handelen ondervindt.
Concluderend legt de rechtbank op een jeugddetentie van 180 dagen, met aftrek van het voorarrest (100 dagen), waarvan 80 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad. Daarbij legt de rechtbank een taakstraf in de vorm van een werkstraf op voor de duur van 80 uren, te vervangen door 40 dagen jeugddetentie als [verdachte] deze taakstraf niet of niet goed uitvoert.
5.3.5.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

6.In beslag genomen voorwerpen

6.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het inbeslaggenomen horloge kan worden teruggegeven aan aangever en de inbeslaggenomen telefoons aan [verdachte] .
6.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat laat de beslissing en aanzien van de in beslag genomen voorwerpen over aan de rechtbank.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
6.3.1.
Teruggave aan [verdachte]
De rechtbank zal teruggave gelasten aan [verdachte] van de in beslag genomen voorwerpen, te weten:
- 1 STK Telefoontoestel (goednummer: 6825146);
- 1 STK Telefoontoestel (goednummer: 6825147).
6.3.2.
Teruggave aan de rechthebbende
De rechtbank zal teruggave gelasten van het in beslag genomen voorwerp, te weten 1 STK horloge (goednummer: G6825481), aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende van dit voorwerp kan worden aangemerkt.

7.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straffen zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
  • 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77g, 282 en 312 van het Wetboek van Strafrecht;
  • 107 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994;
zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8.Beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart feit 1 primair niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat [verdachte] de feiten 1 subsidiair, 2 en 3 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde onder 1 subsidiair, 2 en 3 strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid [verdachte]
- verklaart [verdachte] strafbaar voor het onder 1 subsidiair, 2 en 3 bewezenverklaarde;
straffenjeugddetentie
- veroordeelt [verdachte] tot
een jeugddetentie van 180 (honderdtachtig) dagen;
- bepaalt dat de tijd, door [verdachte] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat van de jeugddetentie
een gedeelte van 80 (tachtig) dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat [verdachte] de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij
een proeftijd van 2 (twee) jarenvast;
- als
voorwaardengelden dat [verdachte] :
* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- stelt als
bijzondere voorwaardendat [verdachte] gedurende de proeftijd:
* zich houdt aan de aanwijzingen van de gecertificeerde instelling te weten SAVE te Almere , waarbij [verdachte] 6 (zes) maanden intensieve begeleiding aanvaardt in het kader van ITB Harde Kern;
* zich gedurende het toezicht bevindt op de [adres] , [postcode] te [plaats] . Daarbij heeft [verdachte] een aaneengesloten lok van 12 respectievelijk 15 uur ter invulling van zijn activiteiten (sport, hobby’s, school, werk, behandeling), zoals met de jeugdreclassering wordt afgesproken;
* zich ter controle van het locatiegebod onder elektronische monitoring zal stellen van de gecertificeerde instelling te weten SAVE, zolang de jeugdreclassering dit nodig acht, met een maximum van 6 (zes) maanden;
* meewerkt aan behandeling vanuit de Waag; voor zolang de jeugdreclassering dit nodig acht;
* meewerkt aan de positieve gestructureerde daginvulling (in de vorm van werk, muziek en sporten), in afstemming met de jeugdreclassering;
* meewerkt aan coaching/ ambulante ondersteuning; indien en voor zolang de jeugdreclassering nodig acht;
* meewerkt aan het zoeken naar en plaatsing in een geschikte (begeleide) woonplek, indien de jeugdreclassering dit nodig acht;
* op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met:
- [medeverdachte 1] (geboren [geboortedatum 2] 2008), medeverdachte;
- [medeverdachte 2] (geboren [geboortedatum 3] 2009), medeverdachte;
- [medeverdachte 3] (geboren [geboortedatum 2] 2005), medeverdachte;
- [aangever] (geboren [geboortedatum 4] 1964), slachtoffer;
- waarbij aan de gecertificeerde instelling te weten Samen Veilig Midden Nederland te Flevoland opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden;
taakstraf
- veroordeelt [verdachte] tot
een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 80 uren;
- beveelt dat voor het geval [verdachte] de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 40 dagen jeugddetentie;
beslag
- gelast de
teruggaveaan [verdachte] van de volgende voorwerpen:
  • 1 STK Telefoontoestel (goednummer: 6825146);
  • 1 STK Telefoontoestel (goednummer: 6825147);
- gelast de
teruggaveaan de rechthebbende van de volgende voorwerpen:
1 STK horloge (goednummer: G6825481);
voorlopige hechtenis
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. den Haan, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. H.J. van Woudenberg, kinderrechter, en mr. T. van Haaren-Paulus, rechter, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Kasper-Kerkdijk als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.
Bijlage I: Tenlastelegging
Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat:
in de zaak met parketnummer 10/284028-24:
1
hij, op of omstreeks 2 september 2024 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [aangever] , wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door
- zich voor te doen als de zoon en/of vertegenwoordigers van de koper, en/of
- die [aangever] naar een voertuig te leiden, en/of
- die [aangever] (onverhoeds) (tegen zijn wil in) vast te pakken en/of in voornoemd voertuig te trekken en/of te duwen, en/of
- aan weerszijde van die [aangever] in het voertuig plaats te nemen, en/of
- enige tijd met die [aangever] in de auto (met hoge snelheid) te rijden en/of
- een of meerdere telefoon(s) van die [aangever] af te pakken en/of de simkaart(en) eruit te halen, en/of
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen het hoofd van die [aangever] te zetten en/of te houden en/of (daarmee) (op/tegen het hoofd van die [aangever] ) te slaan/ stompen, en/of
- fysiek geweld tegen die [aangever] te gebruiken,
met het oogmerk een ander, te weten [aangever] , te dwingen iets te doen of niet te doen, te weten het betalen/het overhandigen van een geldbedrag (50.000 euro) aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of het afleveren van de machines in Suriname aan verdachte en/of zijn mededader(s);
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 2 september 2024 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [aangever] , wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door
- zich voor te doen als de zoon en/of vertegenwoordigers van de koper, en/of
- die [aangever] naar een voertuig te leiden, en/of
- die [aangever] (onverhoeds) (tegen zijn wil in) vast te pakken en/of in voornoemd voertuig te trekken en/of te duwen, en/of
- aan weerszijde van die [aangever] in het voertuig plaats te nemen, en/of
- enige tijd met die [aangever] in de auto (met hoge snelheid) te rijden en/of
- een of meerdere telefoon(s) van die [aangever] af te pakken en/of de simkaart(en) eruit te halen, en/of
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen het hoofd van die [aangever] te zetten en/of te houden en/of (daarmee) te slaan/ stompen, en/of
- fysiek geweld tegen die [aangever] te gebruiken;
2
hij, op of omstreeks 2 september 2024 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een horloge en/of een of meerdere sieraden en/of een of meerdere telefoon(s) in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan [aangever] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangever] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- die [aangever] naar een voertuig te geleiden, en/of
- die [aangever] (onverhoeds) (tegen zijn wil in) vast te pakken en/of in voornoemd voertuig te trekken en/of duwen, en/of
- aan weerzijde van die [aangever] in het voertuig te gaan zitten, en/of
- de ring(en) van de vinger(s) van die [aangever] te trekken/pakken, en/of
- het horloge van de pols van die [aangever] af te nemen/pakken, en/of
- een of meerdere telefoons van die [aangever] af te pakken, en/of
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op/tegen het hoofd van die [aangever] te zetten en/of te houden en/of (daarmee) (op/tegen het hoofd van die [aangever] ) te slaan/stompen en/of
- fysiek geweld te gebruiken;
in de zaak met parketnummer 96/166183-25:
1
hij, op of omstreeks 29 mei 2025, te Almere , als bestuurder van een motorrijtuig (tweewielige bromfiets) heeft gereden op de weg, de Evenaar, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.
Bijlage II: Bewijsmiddelen
Bewijsmiddelen feiten 1 en 2 [1]
- [verdachte] heeft tijdens de zitting op 27 januari 2026 onder meer– zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:
Op 2 september 2024 was ik erbij. Ik was in het hotel en ik zat in de Fiat. Ik ben meegereden met drie andere jongens. Ik droeg het horloge van aangever bij mij bij de aanhouding.
- Aangever [aangever] heeft onder meer – zakelijk weergegeven – het volgende
verklaard:
Op 2 september 2024 was ik in Rotterdam. [2] Er kwamen twee jongens aanlopen die mij groetten als kennismaking. Een van de jongens zei dat ik de bon moest uitschrijven op naam van ' [naam 1] '. Hij zei dat dat zijn vader was en dat hij door zijn vader was afgevaardigd. We gingen naar de auto op het parkeerterrein om het geld te tellen. Iemand zat al als chauffeur in de auto. Ik ben uit de auto gestapt en heb bonnen uitgeschreven, nota's. Toen trok hij op met de auto. [3] Mijn been was nog uit de auto, maar toen kwam er een andere jongen, dus een vierde jongen, die mij in de auto duwde en naast me ging zitten. Dus ik zat achterin, in het midden op de achterbank. Ik mocht niet links en rechts kijken. Die ene, rechts van mij, die mij ook in de auto duwde, begon de ringen van mijn vingers te trekken. Dat waren twee ringen. Ze hebben mijn blouseje kapot getrokken. Ze hebben mijn goudkeurige horloge van het merk 'Movado' afgenomen. Ook mijn twee iPhone telefoons hebben ze van me afgepakt. Direct haalden ze de simkaart eruit. Een telefoon van de jongens had nog contact, waarmee ze zogenaamd contact hadden met die vader, die welbekende stem. De bijrijder zei dat ik moest praten met zijn vader.
-
[aangever]heeft in zijn aanvullend verhoor op 3 september 2024 onder meer –
zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:
Ik heb letsel in de vorm van een klein wondje boven op mijn hoofd en aan mijn teen, dat komt door het sleuren met de auto, omdat mijn voet nog uit de auto hing. Ik heb een barst. [4]
-
Getuige [getuige] heeftonder meer – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:
Op 2 september 2024 ben ik mijn broertje en [aangever] naar het [hotel] in Rotterdam gegaan. [5] [aangever] ging met twee jongens praten en daarna praatten ze verder in de auto. [6] In de auto zat al een chauffeur. Plotseling hoorde ik [A] schreeuwen en de auto reed weg. Ik hoorde dat [A] nog schreeuwde tijdens het wegrijden. Ik hoorde iets van 'Help'.
-
In een proces-verbaal van bevindingenis onder meer – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:
Op maandag 2 september 2024 deed ik de deur van de Fiat open en haalde een persoon uit de Fiat die op de rechterachterbank zat. De persoon bleek later te zijn [medeverdachte 2] . Ik voelde in zijn rechterjaszak en haalde de telefoon en spullen uit zijn jaszak. Ik zag dat er sieraden, waaronder een gouden ring in zijn rechterjaszak zaten. [7]
-
In een proces-verbaal van bevindingenis onder meer – zakelijk weergegeven – het
volgende gerelateerd:
Een verbalisant die achter de auto reed zag dat er op de A5 ter hoogte van hm paal 7.0 een onbekend voorwerp naar buiten werd gegooid vanaf de rechterzijde. Een andere verbalisant zag dat er op de A5 ter hoogte van hm paal 7.3 een onbekend voorwerp uit de auto werd gegooid. Tijdens de zoektocht naar deze voorwerpen werden twee telefoons aangetroffen ter hoogte van hm paal 7.2. [8]
-
In een kennisgeving van inbeslagneming, is onder meer - zakelijk weergegeven – het volgende opgenomen:
Plaats: A5 ter hoogte van hectometerpaal 7.2 rechter rijbaan,
gemeente Haarlemmermeer
Datum: 2 september 2024
Beslagene: [medeverdachte 3]
In beslag genomen: Apple Iphone, eigenaar [aangever] , uit het voertuig gegooid
tijdens het incident. [9]
-
In een proces-verbaal van bevindingen betreffende onderzoek telefoon 6825157is
onder meer – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:
Ik zag dat de volgend gegevens gekoppeld stonden aan de telefoon:
- Apple ID: [e-mailadres 1] en [e-mailadres 2] [10] Ik zag dat er een chatgesprek was van 2 september 2024 vanaf 19:43 uur tussen [medeverdachte 2] met telefoonnummer + [telefoonnummer 1] en [verdachte] met telefoonnummer + [telefoonnummer 2] . Het gesprek gaat vermoedelijk over de ontvoering. [medeverdachte 2] vraagt aan [verdachte] waarom het zo lang duurt. [verdachte] geeft aan dat hij niet te veel vragen moet stellen en dat hij bij de weg moet gaan staan zodat hij meteen in de auto kan stappen. [verdachte] geeft aan dat [medeverdachte 2] ervoor moet zorgen dat de man in het midden moet gaan zitten zodat hij niet weg kan.
Ik zag dat er nog een chatgesprek van 2 september 2024 vanaf 17:29 uur was tussen [medeverdachte 2] met telefoonnummer + [telefoonnummer 1] en [B] met telefoonnummer + [telefoonnummer 3] . [11] In het gesprek wordt er een klus (Djoen = straattaal voor klus) besproken en dat [medeverdachte 2] op dit moment met een gijzeling bezig is. Ik herkende dit in het gesprek omdat het woord ' [woord] ' meerdere keren genoemd werd. Vervolgens stuurde [medeverdachte 2] een foto naar [B] van de bestuurder en bijrijder in een Fiat. Ik herkende de bestuurder als zijnde [medeverdachte 3] en de bijrijder als zijnde [medeverdachte 1] . De verdachten werden aangehouden in een Fiat Bravo voorzien van kenteken [kenteken] . [12] De bekleding van het voertuig op de foto komt overeen met een standaarduitvoering van een Fiat Bravo. Vermoedelijk is dan ook de foto gemaakt in het voertuig voorzien van kenteken [kenteken] waarmee het strafbare feit mee gepleegd werd.
-
In een proces-verbaal van bevindingen betreffende onderzoek telefoon 6825157is
onder meer – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:
Ik zag in de groene tekstbollen meermaals de ontvanger ' [medeverdachte 3] ' staan. [13] Ook zag ik meerdere groene tekstblokken, de afzender van de telefoon dus, met daarbij de naam ' [naam 2] '. Ik zag hierbij dat de verzender hierbij zijn naam ' [medeverdachte 3] ' op gaf. Hierdoor maakte ik op dat de verzender van berichten op de telefoon, en dus de gebruiker van de telefoon, [medeverdachte 3] was.
Ik zag dat de eigenaar van de telefoon berichten verstuurde onder '( [accountnaam 1] )' en dat er een chatgesprek gevoerd werd met ' [accountnaam 2] '. [14] Dit is het gebruikersaccount van [medeverdachte 1] . Op diezelfde dag, om 20:21 uur, zag ik dat [medeverdachte 1] berichten stuurde naar [medeverdachte 3] , dat hij naar het hotel moest rijden. Hierbij gaf [medeverdachte 1] aan: 'nu nu'. Kennelijk was hier haast bij geboden. Op de beelden, zoals omschreven in het proces-verbaal van bevindingen met documentcode 2409051400.AMB, komt de Fiat Bravo om 20:21 uur aanrijden bij het [hotel] . Ik zag ook een chat van [medeverdachte 3] waarin hij sprak met een contactpersoon ' [contactnaam] ', met telefoonnummer + [telefoonnummer 4] . Hierin las ik chats tussen [medeverdachte 3] en deze persoon, waarin werd gesproken dat [medeverdachte 3] ' [gebruikersnaam 1] ' moest ophalen. Hierin had ik sterk het vermoeden dat met ' [gebruikersnaam 1] ' [medeverdachte 1] bedoeld werd. Ook zag ik dat er 'getankt' moest worden voor [medeverdachte 3] , hetgeen logisch zou zijn voor een rit van Almere naar Rotterdam en terug, in zijn Fiat Bravo. [15]
-
In een proces-verbaal van bevindingen betreffende onderzoek telefoon 6825157is
onder meer – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:
Ik zag dat [verdachte] een gesprek voerde met een persoon met gebruikersnaam ' [gebruikersnaam 2] '. Ik zag dat hij naar [gebruikersnaam 2] schreef: "Wij gaan met zijn tweeën" en "Die andere mannen blijven in die auto". Gezien het tijdstip van deze berichten (18:20 uur), en het feit dat ik [verdachte] herkende op de camerabeelden, zoals omschreven in het proces-verbaal van bevindingen met documentnummer 2409051400.AMB, vermoedde ik dat [verdachte] dit bericht stuurde naar medeverdachte [medeverdachte 1] , in wiens gezelschap hij te zien is enkele momenten later in het [hotel] , waarna de ontvoering/gijzeling plaatsvond. [16]
Bewijsmiddelen feit 3
  • De bekennende verklaring van [verdachte] , afgelegd tijdens de zitting van 27 januari 2026;
  • Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal overtreding d.d. 3 juni 2025,
opgenomen op pagina’s 1 en 2 en de daarbij behorende bijlage op pagina 6 van het procesdossier van politie Flevoland Centrale Verwerkingseenheid met nummer 290520251528118822 d.d. 3 juni 2025, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] .

Voetnoten

2.Pagina’s 1 en 2.
3.Pagina 3.
4.Pagina 8.
5.Pagina 13.
6.Pagina 14.
7.Pagina 27.
8.Pagina 56.
9.Een naar wettelijk voorschrift opgemaakte kennisgeving van inbeslagneming met registratienummer PL1700-2024291769-12, opmaakt door rapporteurs [rapporteur 1] en [rapporteur 2] , Districtsrecherche Rotterdam-Zuid, pagina 14 van PV KVI (onderzoek Akker).
10.Pagina 193.
11.Pagina 194.
12.Pagina 195.
13.Pagina 200.
14.Pagina 201.
15.Pagina 202.
16.Pagina 205.