Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het vijfde middel
[slachtoffer] te dwingen
4.Slotsom
5.Beslissing
23 juni 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over een zaak van wederrechtelijke vrijheidsberoving en gijzeling. De verdachte had samen met anderen het slachtoffer gegijzeld om hem te dwingen een grote hoeveelheid hennep en/of geld af te geven.
De Hoge Raad oordeelt dat de strafbaarstelling van gijzeling volgens art. 282a Sr vereist dat het oogmerk is om een derde te dwingen iets te doen of na te laten. In deze zaak was het oogmerk echter om het slachtoffer zelf te dwingen, niet een derde. Daarom was de kwalificatie van medeplegen gijzeling onjuist.
De Hoge Raad verbetert de kwalificatie naar medeplegen van opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving en beroofd houden. De zaak wordt terugverwezen naar het hof voor hernieuwde berechting en strafoplegging op basis van deze kwalificatie.
De overige middelen van cassatie worden verworpen. De uitspraak is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 23 juni 2015.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de kwalificatie medeplegen gijzeling en wijst de zaak terug voor hernieuwde strafoplegging met de juiste kwalificatie van medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving.