Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:868

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
11986903 \ UE VERZ 25-368
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:671c BWArt. 7:673 lid 1 sub b onder 2 BWArt. 7:671c lid 2 sub b BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens verstoorde arbeidsrelatie en ernstig verwijtbaar handelen werkgever

De werknemer verzoekt ontbinding van haar arbeidsovereenkomst met de werkgever wegens een duurzaam verstoorde arbeidsrelatie. De werkgever voert geen verweer tegen de ontbinding. De kantonrechter oordeelt dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve ontbonden kan worden per 1 maart 2026.

Daarnaast is vastgesteld dat de werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door onvoldoende en niet-deugdelijk onderzoek te verrichten na een incident op de werkvloer, onzorgvuldig te communiceren over de arbeidsrelatie en onredelijk te handelen na eerdere ontbindingsbeschikking. Dit ernstig verwijtbaar handelen leidt tot toekenning van een transitievergoeding en een billijke vergoeding aan de werknemer.

De transitievergoeding wordt vastgesteld op €13.380,34 bruto en de billijke vergoeding op €21.900,04 bruto, waarbij de billijke vergoeding mede bestaat uit gemist inkomen en pensioenschade. De werkgever wordt tevens veroordeeld tot betaling van het brutoloon tot de ontbindingsdatum, een correcte eindafrekening en het verstrekken van bruto/netto-specificaties. De proceskosten worden aan de zijde van de werkgever opgelegd.

Verzoeken tot vergoeding van immateriële schade en zorgkosten worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Ook de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders verzochte wordt afgewezen.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 maart 2026 en de werkgever wordt veroordeeld tot betaling van transitie- en billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: 11986903 \ UE VERZ 25-368
Beschikking van 27 februari 2026
in de zaak van
[verzoekster],
te [plaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
gemachtigde: mr. B.R. van der Zwan,
tegen
[verweerder] B.V.,
te [plaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. J.C. van Norden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met producties 1 tot en met 30 van [verzoekster] , door de griffie van de rechtbank ontvangen op 1 december 2025;
  • het verweerschrift met producties 1 tot en met 6 van [verweerder] ;
  • de akte vermindering van eis met overlegging aanvullende producties 31 en 32 van [verzoekster] ;
  • de aanvullende producties 7 tot en met 14 van [verweerder] ;
  • de aanvullende producties 33 tot en met 37 van [verzoekster] ;
  • de mondelinge behandeling van 23 januari 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt;
  • de pleitaantekeningen van [verzoekster] ;
  • de spreekaantekeningen van [verweerder] .
1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling is [verzoekster] verschenen, samen met de gemachtigde. Namens [verweerder] is verschenen de heer [A] (eigenaar van [verweerder] ; hierna te noemen [A] ), samen met de gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, waarbij de gemachtigden gebruik hebben gemaakt van spreekaantekeningen. Partijen hebben op elkaar kunnen reageren en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. Aan het einde van de mondelinge behandeling is bepaald dat er een beschikking zal worden gewezen.
2. De kern van de zaak
[verzoekster] , geboren op [geboortedatum] 1973, is sinds 1 januari 2018 in dienst bij [verweerder] als [functie] met een loon van € 4.549,61 bruto per maand exclusief vakantietoeslag. [verweerder] is een familiebedrijf dat door haar broer, [A] , wordt bestuurd. [verzoekster] verzoekt ontbinding van haar arbeidsovereenkomst, omdat sprake is van een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Daarnaast verzoekt [verzoekster] verschillende vergoedingen en doorbetaling van haar loon. De kantonrechter komt tot het oordeel dat het ontbindingsverzoek toewijsbaar is, mede omdat daartegen geen verweer is gevoerd. [verweerder] moet bovendien verschillende vergoedingen aan [verzoekster] betalen, omdat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.

3.De beoordeling

De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 maart 2026
3.1.
Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. Op grond van artikel 7:671c BW kan de kantonrechter op verzoek van de werknemer de arbeidsovereenkomst ontbinden wegens omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.
3.2.
Uit de processtukken en uit wat er tijdens de mondelinge behandeling is gesteld, is voor de kantonrechter komen vast te staan dat de arbeidsrelatie geen vruchtbare toekomst meer heeft. [verweerder] voert ook geen verweer tegen de verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Het verzoek zal daarom worden toegewezen. Bij dat oordeel heeft meegewogen het feit dat het hier om een werknemersverzoek gaat waarbij bijzondere opzegverboden niet aan de orde zijn. Verder is van belang dat gelet op het (grond)recht van vrije arbeidskeuze een verzoek door de werknemer in beginsel gehonoreerd dient te worden.
3.3.
[verzoekster] verzoekt om bij het bepalen van de ontbindingsdatum rekening te houden met de wettelijke opzegtermijn van twee maanden. [verzoekster] stelt daar baat bij te hebben, maar die stelling is verder niet toegelicht. Voor een ontbinding op verzoek van de werknemer hoeft de kantonrechter ook geen rekening te houden met de geldende opzegtermijnen. In dit geval ziet de kantonrechter aanleiding de arbeidsovereenkomst te ontbinden per de eerste van de volgende maand, dus met ingang van 1 maart 2026.
Er is sprake van ernstig verwijtbaar handelen door [verweerder]
3.4.
[verzoekster] verzoekt om toekenning van een transitievergoeding en een billijke vergoeding. Toekenning van deze vergoedingen is bij een ontbindingsverzoek door de werknemer slechts mogelijk als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever (artikel 7:673 lid 1 sub b onder Pro 2 BW en artikel 7:671c lid 2 sub b BW). Van ernstig verwijtbaar handelen is sprake wanneer een werkgever de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst in ernstige mate schendt. Naar het oordeel van de kantonrechter is aan de voorwaarde van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten voldaan. Dit oordeel wordt hieronder toegelicht.
3.5.
Tussen partijen staat vast dat er op 9 november 2023 op de werkvloer een incident heeft plaatsgevonden tussen [verzoekster] en haar collega [B] . Wat er feitelijk tijdens dat incident is gebeurd en waarover partijen van mening verschillen, acht de kantonrechter voor de vraag of [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, niet van doorslaggevend belang. Van belang is wel hoe [verweerder] na dit incident vanuit haar wettelijke verplichting als goed werkgever tegenover (ook) [verzoekster] heeft gehandeld. Geoordeeld wordt dat [verweerder] daarin is tekortgeschoten richting [verzoekster] . Weliswaar stelt [verweerder] dat zij na het incident een intern onderzoek heeft verricht naar het incident, maar dat is de kantonrechter niet (voldoende) gebleken. De verklaringen, waar [verweerder] een beroep op doet, zijn ongedateerd en uit die verklaringen blijkt dat deze niet direct na het incident (in het kader van een onderzoek) maar veel later zijn opgevraagd. In de verklaringen van [B] en [C] staat namelijk informatie die dateert van ruim na het incident. Zo verklaart [C] dat hij vertegenwoordiger en adviseur was en per 1 april 2024 met pensioen is gegaan. En [B] – de direct betrokkene – verklaart dat hij een door [verzoekster] geschreven brief heeft ontdekt, waarvan in deze procedure vast staat dat [verzoekster] daarop al op 22 december 2023 is aangesproken. Deze verklaringen, en ook die van [verzoekster] zelf, hadden eerder opgesteld en gedeeld kunnen en moeten worden. Dat gebeurt pas voor het eerst in het kader van onderhavige procedure en dat is in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor en geeft geen blijk van goed werkgeverschap. Andere stellingen waaruit volgt dat [verweerder] een deugdelijk onderzoek heeft verricht na het incident zijn niet ingenomen. Tijdens het gesprek op 27 november 2023 tussen [verzoekster] , [A] en [B] heeft [B] verder zijn lezing van het incident niet hoeven geven (zo staat onweersproken vast). En voor het gesprek van 30 november 2023 is [verzoekster] opgeroepen bij haar ouders thuis. In het WhatsAppbericht van [A] op 30 november 2023 wordt [verzoekster] gesommeerd (“
Dit is geen vraag, maar een mededeling”) daar te verschijnen. Zij ontvangt dus geen formele uitnodiging door haar werkgever voor een gesprek op een later moment in een zakelijke omgeving. Het voorgaande getuigt niet van goed werkgeverschap en valt [verweerder] ernstig te verwijten.
3.6.
Vervolgens handelt [verweerder] ernstig verwijtbaar tegenover [verzoekster] door haar – zonder deugdelijk onderzoek – te beschuldigen van het openbaar maken van een intern document. [verweerder] stelt dat [verzoekster] een belastende brief heeft geschreven en deze op een openbaar toegankelijke plek heeft opgeslagen, waarna verschillende collega’s op de hoogte zijn geraakt van de inhoud van die brief. [verweerder] had de gang van zaken ten aanzien van het openbaar maken van die brief eerst moeten onderzoeken en op basis daarvan een constatering moeten doen. Uit de verklaring van [B] blijkt dat hij dit document zelf heeft ontdekt, zodat van het openbaar maken van een document door [verzoekster] niet is gebleken. Het document was bovendien, zo staat onweersproken vast, geplaatst in een map waar werknemers van [verweerder] niets te zoeken hadden. [verzoekster] was dus niet degene die een intern document openbaar heeft gemaakt; het is [B] geweest die dit document zelf heeft ontdekt. Hij heeft het document vervolgens geprint en voorgelegd aan [A] . Een interne openbaarmaking door [verzoekster] is daarom niet komen vast te staan en evenmin dat door toedoen van [verzoekster] dit document door collega’s is gelezen. Dat het document op een openbaar toegankelijke schijf stond opgeslagen, is in dit verband onvoldoende om [verzoekster] daarvan een (ernstig) verwijt te maken.
3.7.
Het ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] volgt ook uit het feit dat er communicatie is geweest met partijen buiten [verweerder] waarbij is vermeld dat [verzoekster] niet langer voor [verweerder] werkzaam was, terwijl zij nog altijd in dienst was. [verweerder] betwist deze stelling van [verzoekster] , maar productie 19 bij het verzoekschrift bevat verschillende
e-mailberichten aan verschillende externe partijen waarin wordt gecommuniceerd dat [verzoekster] niet langer werkzaam is voor [verweerder] . Dit getuigt niet van goed werkgeverschap en leidt ook tot een ernstig verwijtbaar handelen.
3.8.
Wat tot slot [verweerder] ernstig valt te verwijten is haar handelen en het tijdsverloop na de beschikking van 18 augustus 2025. In die beschikking is (kort gezegd) de arbeidsovereenkomst ontbonden met ingang van 1 november 2025 en is aan [verzoekster] een transitievergoeding, een billijke vergoeding en een uitbetaling van achterstallige winstdeling toegekend. Uiteraard staat het een werkgever vrij om gebruik te maken van het wettelijk recht tot intrekking van een ontbindingsverzoek, zoals [verweerder] heeft gedaan. Wat [verweerder] ernstig valt te verwijten, is dat zij na die intrekking eerst 1,5 maand niets van zich laat horen richting [verzoekster] en dan op 21 oktober 2025 (na een brief van [verzoekster] van 14 oktober 2025) een brief aan [verzoekster] stuurt, waarin [verzoekster] – in afwachting van een mediationtraject over een eventuele minnelijke regeling – wordt gesommeerd om haar werkzaamheden te hervatten per dezelfde week. Het is voor de kantonrechter onbegrijpelijk dat [verweerder] [verzoekster] oproept voor het verrichten van lichte administratieve werkzaamheden en er daarmee aan voorbij gaat dat er op dat moment al twee jaar een geschil gaande is. Dat is [verweerder] ernstig te verwijten.
3.9.
Op basis van het voorgaande is de conclusie dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld tegenover [verzoekster] . Overigens stelt [verzoekster] nog dat het [verweerder] ook ernstig valt te verwijten dat [verweerder] pas laat is gestart met het opstarten van het tweede spoor traject in het kader van de Wet verbetering poortwachter. Dat is voor de kantonrechter op basis van de overgelegde stukken en de daaruit volgende en uiteenlopende data evenwel niet vast te stellen.
[verweerder] moet aan [verzoekster] een transitievergoeding betalen van € 13.380,34 bruto
3.10.
[verzoekster] verzoekt om toekenning van een transitievergoeding van € 13.380,34 bruto. Omdat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] heeft [verzoekster] recht op de wettelijke transitievergoeding. Het verzochte bedrag van € 13.380,34 is berekend met een uitdiensttreding per 1 maart 2026. Aangezien de arbeidsovereenkomst per die datum zal worden ontbonden, is dit verzochte bedrag toewijsbaar. De betalingstermijn van vijf dagen na betekening van de beschikking is niet weersproken en acht de kantonrechter een redelijke termijn.
3.11.
De verzochte wettelijke rente over de transitievergoeding zal worden toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 1 april 2026.
[verweerder] moet aan [verzoekster] een billijke vergoeding betalen van € 21.900,04 bruto
3.12.
Het verzoek van [verzoekster] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt ook toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] .
3.13.
Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
3.14.
[verzoekster] maakt aanspraak op een billijke vergoeding van in totaal € 64.844,76 bruto. [verzoekster] noemt voor de berekening van dit bedrag aan billijke vergoeding onder andere de zorgkosten van € 2.944,72 en een immateriële schadevergoeding van € 40.000,00. Deze twee posten neemt de kantonrechter niet mee bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding. Voor wat betreft de zorgkosten is niet gebleken dat deze kosten allemaal terug te herleiden zijn naar het ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] . Dit heeft [verzoekster] onvoldoende onderbouwd en het causaal verband blijkt ook niet uit productie 29 van het verzoekschrift.
Een immateriële schadevergoeding kan onderdeel uitmaken van een billijke vergoeding, maar dan moet er sprake zijn van aantasting in de persoon. Weliswaar is de kantonrechter gebleken van psychisch leed bij [verzoekster] , maar gevoelens van spanning en verdriet rechtvaardigen niet de conclusie dat sprake is van zodanig ernstig psychisch leed dat dit de juridisch vereiste aantasting in de persoon oplevert. [verzoekster] heeft onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld waaruit moet blijken dat wel sprake is van een aantasting in de persoon.
3.15.
[verzoekster] noemt voor de berekening van de billijke vergoeding ook een bedrag van € 21.900,04 bruto aan gemist inkomen. De kantonrechter zal dit bedrag als een billijke vergoeding toekennen aan [verzoekster] , omdat zij dit bedrag voldoende heeft onderbouwd en deze schade ook toe te rekenen is aan het ernstig verwijt dat [verweerder] valt te maken. [verzoekster] stelt dat voor haar niet te verwachten valt dat ze binnen een redelijke termijn nieuw werk zal vinden, waardoor zij voor langere tijd een beroep zal moeten doen op een uitkering. Zij heeft berekend dat dit een inkomensachteruitgang van 30% zal zijn, oftewel € 1.364,88 bruto per maand. [verzoekster] gaat ervanuit dat dat in ieder geval een jaar zal duren, waardoor zij in totaal € 17.688,88 bruto minder inkomen zal hebben. Zij zal daarnaast pensioenschade hebben, wat neerkomt op een bedrag van € 4.211,16 bruto. [verweerder] heeft deze stellingen van [verzoekster] onvoldoende weersproken. Er is een causaal verband met het ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] , aangezien dit handelen ertoe heeft geleid dat [verzoekster] om ontbinding van haar arbeidsovereenkomst heeft verzocht. Het totaalbedrag van (€ 17.688,88 + € 4.211,16 =) € 21.900,04 bruto zal daarom worden toegekend als een billijke vergoeding. De betalingstermijn van vijf dagen na betekening van de beschikking is niet weersproken en acht de kantonrechter een redelijke termijn.
3.16.
De verzochte wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking.
[verweerder] is tot 1 maart 2026 het brutoloon van € 4.199,64 per vier weken aan [verzoekster] verschuldigd
3.17.
Op grond van de arbeidsovereenkomst heeft [verzoekster] recht op betaling van haar brutoloon van € 4.199,64 per vier weken. Haar verzoek om [verweerder] te veroordelen tot betaling hiervan tot aan de ontbindingsdatum van de arbeidsovereenkomst is daarom toewijsbaar. [verweerder] heeft hierover ook aangevoerd dat zij het loon aan [verzoekster] telkens heeft betaald.
[verzoekster] heeft ten aanzien van het loon ook verzocht om betaling binnen vijf dagen na betekening van deze beschikking. Dit zal worden afgewezen, omdat het loon maandelijks op een vast moment aan [verzoekster] wordt betaald en daarom niet verbonden kan worden aan een betalingstermijn van vijf dagen na betekening van deze beschikking.
3.18.
De verzochte wettelijke rente over het loon zal worden toegewezen, telkens te rekenen vanaf het tijdstip van opeisbaarheid totdat er betaald is.
[verweerder] is aan [verzoekster] een correcte eindafrekening verschuldigd
3.19.
Partijen zijn het erover eens dat [verzoekster] recht heeft op een correcte eindafrekening na het einde van de arbeidsovereenkomst. Maar zij verschillen van mening over het aantal resterende vakantiedagen. [verzoekster] meent dat zij nog recht heeft op 41,6 vakantiedagen, terwijl [verweerder] zich op het standpunt stelt dat [verzoekster] nog slechts 38,9 resterende vakantiedagen heeft. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat het verschil in vakantiedagen ziet op een vakantie eind 2023. De kantonrechter is met [verweerder] van oordeel dat deze vakantie in mindering moet strekken op de resterende vakantiedagen. [verzoekster] heeft immers, ondanks haar ziekte, deze vakantie opgenomen en niet ingetrokken. Bovendien staat als onweersproken vast dat [verzoekster] ook daadwerkelijk op vakantie is geweest. Zij heeft daarmee die vakantiedagen opgenomen. Voor een correcte eindafrekening moet dan ook worden aangesloten bij de door [verweerder] berekende resterende vakantiedagen.
3.20.
De kantonrechter ziet geen reden om aan de uitbetaling van de eindafrekening een betalingstermijn van vijf dagen na betekening van de beschikking te verbinden. De eindafrekening volgt immers pas na het einde van het dienstverband.
[verweerder] moet aan [verzoekster] correcte bruto/netto-specificaties verstrekken
3.21.
Er is geen verweer gevoerd tegen het verzoek van [verzoekster] om aan haar bruto/netto-specificaties te verstrekken van alle betalingen die [verweerder] aan haar moet doen. Daarom zal dit verzoek worden toegewezen. De daarover verzochte dwangsom zal worden afgewezen, omdat er geen aanleiding bestaat om te veronderstellen dat [verweerder] aan deze veroordeling niet zal voldoen.
De buitengerechtelijke incassokosten van € 2.692,69 zullen worden afgewezen
3.22.
[verzoekster] maakt tot slot aanspraak op buitengerechtelijke incassokosten van
€ 2.692,69 inclusief btw. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is in dit geval niet van toepassing. De kantonrechter zal de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn daarom toetsen aan de eisen voor dergelijke verzoeken zoals deze zijn geformuleerd in het Rapport BGK-integraal. [verzoekster] heeft haar verzoek onvoldoende toegelicht of onderbouwd. Zij stelt slechts in haar algemeenheid dat er veel tijd en energie is besteed aan het buitengerechtelijke traject door [verweerder] aan te schrijven en door pogingen te ondernemen om tot een minnelijke regeling te komen. Gelet op die stelling moeten de kosten waarvan [verzoekster] vergoeding verzoekt, worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten. De buitengerechtelijke incassokosten zullen daarom worden afgewezen.
[verweerder] moet de proceskosten betalen
3.23.
De proceskosten komen voor rekening van [verweerder] , omdat [verweerder] overwegend ongelijk krijgt en sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] . De proceskosten aan de zijde van [verzoekster] worden begroot op € 1.741,00 (€ 732,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
3.24.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen;
4.2.
bepaalt het einde van de arbeidsovereenkomst op 1 maart 2026;
4.3.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoekster] binnen vijf dagen na betekening van deze beschikking een transitievergoeding te betalen van € 13.380,34 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 april 2026 tot aan de dag van de gehele betaling;
4.4.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoekster] binnen vijf dagen na betekening van deze beschikking een billijke vergoeding te betalen van € 21.900,04 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking tot aan de dag van de gehele betaling;
4.5.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoekster] te betalen het brutoloon van € 4.199,64 per vier weken tot aan 1 maart 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover telkens vanaf het tijdstip van opeisbaarheid totdat er betaald is;
4.6.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoekster] te betalen een correcte eindafrekening;
4.7.
veroordeelt [verweerder] tot het verstrekken van correcte bruto/netto-specificaties van alle betalingen die [verweerder] aan [verzoekster] verschuldigd is;
4.8.
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 1.741,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;
4.9.
veroordeelt [verweerder] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
4.10.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.11.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.J.M. Hendriks en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2026.