ECLI:NL:RBMNE:2026:831

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
UTR 24/3125
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 234 lid 5 GemeentewetArt. 234 lid 6 Gemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting en kostenraming

Eiser maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting inclusief een bedrag van €72,90 aan kosten. De heffingsambtenaar had deze kosten gebaseerd op een raming van het aantal naheffingsaanslagen, vastgesteld in de Verordening op de heffing en invordering van Parkeerbelastingen 2023 gemeente Utrecht.

Eiser betoogde dat de gebruikte raming onjuist was omdat het aantal naheffingsaanslagen in voorgaande jaren hoger was dan de geraamde 91.939, en dat kosten voor vergunningensystemen, belparkeren en parkeerautomaten ten onrechte werden doorberekend. De rechtbank oordeelde dat de raming gebaseerd was op de meest recente beschikbare gegevens ten tijde van de besluitvorming en dat het gebruik van deze schatting gerechtvaardigd was.

Daarnaast stelde de rechtbank vast dat de kosten voor vergunningensystemen, belparkeren en parkeerautomaten meer dan zijdelings samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen en daarom terecht in de kostenraming zijn opgenomen. De rechtbank verwees hierbij naar een recent arrest van de Hoge Raad van 23 januari 2026.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor eiser geen gelijk kreeg en geen proceskostenvergoeding ontvangt. De uitspraak is gedaan door rechter A. Rademaker op 9 februari 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting en de kostenraming wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/3125
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 9 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. I.N.D.J. Rissema),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht, de heffingsambtenaar
(gemachtigde: W.G. Vos).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 25 maart 2024.
1.1.
In de beschikking van 26 april 2023 heeft de heffingsambtenaar aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. Eiser heeft tegen deze naheffingsaanslag bezwaar gemaakt.
1.2.
Met de uitspraak op bezwaar van 25 maart 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.3.
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 3 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van de heffingsambtenaar, [A] , [B] en [C] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de heffingsambtenaar een naheffingsaanslag parkeerbelasting heeft opgelegd, omdat er door eiser geen of te weinig parkeerbelasting is betaald. In geschil is of bij de naheffingsaanslag terecht een bedrag van
€ 72,90 aan kosten is opgelegd.
3. In de Verordening op de heffing en invordering van Parkeerbelastingen 2023 gemeente Utrecht (hierna: de Verordening) is de volgende raming/kostenonderbouwing voor het opleggen van naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgenomen (Onder de bijlage):
Berekening kostendeel 2022
Per naheffingsaanslag
Informatie/verwerkingskosten
€ 3.278.633
Personeelskosten
€ 3.868.678
Overhead
€ 1.622.779
Kosten naheffingsaanslagen
€ 8.770.090
Aantal naheffingen 2022
91.939
Kosten per naheffingsaanslag
€ 95,39
4. In de wet is geregeld dat ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting kosten in rekening worden gebracht waarbij de kosten onderdeel zijn van de naheffingsaanslag. [1] Dat bedrag dient te worden bepaald met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels. [2] Het betreft hier het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen (hierna: het Besluit). Artikel 2 van Pro het Besluit luidt als volgt:
1) De gemeentelijke kosten ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 234, vijfde lid, van de wet kunnen ten hoogste bestaan uit de volgende componenten, voor zover deze samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen:
a. vaste informatieverwerkingskosten;
b. variabele informatieverwerkingskosten;
c. kosten van afschrijving;
d. kosten van interest;
e. personeelskosten;
f. overheadkosten, die ten hoogste 50% van de personeelskosten mogen bedragen.
2) Op basis van een raming van het jaarlijkse totaal van deze kosten stelt de raad, in verhouding tot het geraamde jaarlijkse aantal aaneengesloten parkeerperioden binnen een kalenderdag waarover wordt nageheven, het bedrag vast dat per nageheven aaneengesloten parkeerperiode binnen een kalenderdag aan de belastingschuldige in rekening wordt gebracht. De raming kan een gemiddelde betreffen over een periode van ten hoogste vier jaren.
Verschil in geraamde naheffingsaanslagen en de daadwerkelijke naheffingsaanslagen
5. Eiser stelt dat er reden is om aan te nemen dat de gegevens in de bijlage bij de verordening niet juist kunnen zijn. Het aantal naheffingsaanslagen is lager dan in de voorgaande jaren werd opgelegd. Uit de verordening blijkt namelijk dat is uitgegaan van 91.939 naheffingsaanslagen. Uit de handhavingsverslagen van 2021 en 2022 blijkt echter dat er in 2021, 92.099 naheffingen zijn opgelegd en in 2022, 100.663. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat er in 2023 daadwerkelijk 112.411 naheffingsaanslagen zijn opgelegd.
5.1.
De heffingsambtenaar heeft hierover in het verweerschrift en op de zitting toegelicht dat het aantal naheffingsaanslagen is gebaseerd op de meest recente cijfers die beschikbaar zijn op het moment van ramen. Omdat de raming voor het jaar 2023 in het jaar 2022 is opgesteld, is deze gebaseerd op de cijfers van het voorafgaande jaar. De verordening dateert immers van 10 november 2022. De voorstellen voor de raadsvergadering van november, gaan al voor de zomer de besluitvormingslijn in. Het definitieve aantal daadwerkelijk opgelegde naheffingsaanslagen in 2021 is pas op een later moment beschikbaar en wordt opgenomen in het Handhavingsverslag 2021. Hierdoor is er een verschil van 160 naheffingsaanslagen. Dit is verwaarloosbaar. Bovendien liggen de werkelijke kosten voor het opleggen van een naheffingsaanslag ver boven het maximumtarief van € 72,90. Verder heeft de heffingsambtenaar hierover op de zitting toegelicht dat de definitieve aantallen van het jaar 2023 pas bekend zijn in de loop 2024. De raming is altijd gebaseerd op een schatting die vooraf wordt gemaakt.
5.2.
De rechtbank kan het standpunt van de heffingsambtenaar volgen. De rechtbank acht het gerechtvaardigd dat de raming van het aantal naheffingsaanslagen wordt gebaseerd op een inschatting die plaatsvindt voordat een raadsvoorstel voor de vaststelling van de verordening voor het aankomende jaar de procedure van besluitvorming ingaat. Concreet betekent dit dat de verordening voor het jaar 2023, die in november 2022 door raad werd vastgesteld, gebaseerd is op beschikbare cijfers en een op basis daarvan gemaakte inschatting uit het voorjaar van 2022. De heffingsambtenaar had gelet hierop dan ook een inschatting mogen maken aan de hand van beschikbare gegevens van vóór 2023. Dit is volgens de rechtbank in lijn met artikel 2 lid 2 van Pro het Besluit. Nu de verordening in het voorjaar van 2022 is voorbereid, kan de rechtbank de heffingsambtenaar volgen dat naar gegevens is gekeken van vóór 2022. Het daadwerkelijke aantal naheffingsaanslagen in 2023 is dan ook relevant voor de ramingen na 2023. De rechtbank ziet naar aanleiding van de toelichting van de heffingsambtenaar geen reden de schatting van het aantal naheffingsaanslagen naar boven toe bij te stellen. Er bestaat namelijk naar het oordeel van de rechtbank geen twijfel over de juistheid van de door de heffingsambtenaar gebruikte gegevens om de raming vast te stellen. De schatting is immers gemaakt aan de hand van de gegevens die op dat moment beschikbaar waren. De beroepsgrond slaagt niet.
5.3.
Overigens merkt de rechtbank op dat de kostenlimiet alsnog niet zou zijn overschreden in het geval bij de ramingsprocedure was uitgegaan van een aantal van 92.099, 100.663 of zelfs 112.411 naheffingsaanslagen. Bij 112.411 naheffingsaanslagen zouden de kosten per naheffingsaanslag immers € 78,02 zijn. Hieruit blijkt dat ook al zou het betoog van eiser slagen en de rechtbank het aantal naheffingsaanslagen naar boven zou bijstellen, het bedrag van € 72,90 per naheffing alsnog gehanteerd zou mogen worden, zonder dat de kostenlimiet zou worden overschreden.
De doorberekening van kosten voor parkeerautomaten, vergunningensysteem en belparkeren
6. Eiser stelt dat ten onrechte de kosten voor het vergunningensysteem, belparkeren en parkeerautomaten via de naheffingsaanslag in rekening zijn gebracht. De heffingsambtenaar heeft hierover op de zitting toegelicht dat een vergunningensysteem ook een manier van betaald parkeren is. Dat heeft hetzelfde verband als bij parkeerautomaten en belparkeren. Het is namelijk mogelijk om met een vergunning op een bepaalde plek te parkeren. Indien deze vergunning op een andere locatie wordt gebruikt en er geen parkeerbelasting wordt betaald, wordt er een naheffingsaanslag opgelegd. Bovendien is belparkeren ook een vorm van betalen. Hierbij betaalt iemand ter plekke voor de locatie waar wordt geparkeerd. Daar komt bij dat er een systeem nodig is om te kijken of iemand heeft betaald, anders kan niet worden beoordeeld of er een naheffingsaanslag moet worden opgelegd. De rechtbank kan het standpunt van de heffingsambtenaar volgen.
6.1.
De rechtbank stelt ten eerste vast dat zij onder belparkeren verstaat, een manier van betalen voor parkeren via de telefoon, sms of een parkeerapp. Onder een vergunningensysteem verstaat de rechtbank het systeem dat parkeervergunningen beheert. De rechtbank overweegt hierover als volgt. De besluitgever heeft ten aanzien van artikel 2 van Pro het Besluit toegelicht dat kosten die deels samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen, volledig in aanmerking kunnen worden genomen bij het kostenverhaal. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de kostenpost meer dan zijdelings moet samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen. [3] Van samenhang in die zin is slechts dan geen sprake indien de desbetreffende kosten geheel of nagenoeg geheel andere doeleinden dienen. [4] Anders dan eiser betoogt, hangen de kosten die verband houden met vergunningensystemen, belparkeren en parkeerautomaten naar het oordeel van de rechtbank meer dan zijdelings samen met de inning van niet betaalde parkeerbelasting, zodat deze kosten volledig kunnen worden gerangschikt onder de verhaalbare kosten. Deze kosten dienen namelijk niet geheel of nagenoeg geheel andere doeleinden. De parkeerautomaten, belparkeren en vergunningensystemen zijn namelijk onontbeerlijk om vast te stellen welke parkeerbelastingen niet zijn betaald. De rechtbank ziet steun voor dit oordeel in het arrest van de Hoge Raad van 23 januari 2026, waarin wordt overwogen dat de kosten van parkeerautomaten en parkeerapps niet geheel of nagenoeg geheel andere doeleinden dienen dan de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen. [5] De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van
mr.D. Burggraaf, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 234, lid 5 van de Gemeentewet.
2.Artikel 234, lid 6 van de Gemeentewet.
3.Stb. 2019, 46.
4.Zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:24.
5.Zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:24.