ECLI:NL:RBMNE:2026:814

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 maart 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
UTR 25/813, 25/2804, 25/2651 en 25/2650
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.1 WhtArt. 6:17 AwbArt. 9.1 WhtArt. 4.3 Wht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank vernietigt besluit minister over niet-overname schuld Jongerius wegens onvoldoende motivering

Eiseres, erkend als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, verzocht om overname van diverse private schulden door de minister van Financiën via Sociale Banken Nederland (SBN). De minister wees meerdere aanvragen af, onder meer wegens onvoldoende bewijs, reeds betaalde schulden of niet voldane voorwaarden uit de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).

De rechtbank beoordeelde vier afzonderlijke beroepen van eiseres tegen deze afwijzingen. Voor het beroep onder zaaknummer UTR 25/2651 oordeelde de rechtbank dat het besluit van de minister onvoldoende gemotiveerd was over de schuld aan Jongerius, vanwege een discrepantie in de bedragen en het ontbreken van nadere toelichting. Dit leidde tot vernietiging van het besluit voor deze schuld en een opdracht aan de minister om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen.

De overige beroepen werden ongegrond verklaard omdat de schulden reeds waren voldaan, niet aan de Wht-voorwaarden voldeden, of onvoldoende waren onderbouwd. De rechtbank wees ook het beroep op de hardheidsclausule af wegens gebrek aan concrete onderbouwing van schrijnende omstandigheden. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het beroep is gegrond verklaard voor de schuld aan Jongerius wegens onvoldoende motivering, het besluit wordt vernietigd en de minister moet een nieuw besluit nemen; de overige beroepen zijn ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Almere
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/813, 25/2804, 25/2651 en 25/2650
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 maart 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. R.S. Pot),
en
De Minister van Financiën, T.a.v. de Programmadirecteur Schulden
(gemachtigde: A. van der Spoel).
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor de overname van haar schulden. Eiseres is het niet eens met de afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep in de zaak UTR 25/2561 gegrond is, omdat de minister het besluit niet voldoende heeft gemotiveerd. De overige drie beroepen zijn ongegrond, de minister mocht de overname van deze schulden afwijzen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
1. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Hiervoor heeft zij ook compensatie gekregen in het kader van de Catshuisregeling. In dit kader heeft eiseres een schuldenlijst toegezonden aan Sociale Banken Nederland (SBN) met het verzoek om overname van haar schulden. Eiseres heeft hiervoor verschillende aanvragen gedaan en de SBN heeft deze aanvragen deels afgewezen.

UTR 25/813

2. Op 26 juni 2024 heeft SBN de aanvraag van eiseres voor overname van diverse schulden afgewezen. Met het bestreden besluit van 5 november 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. De minister heeft per schuld aangegeven waarom deze niet voor overname in aanmerking komen. De schulden waar dit besluit op ziet, zijn:
- De schuld aan Deurwaarder.com ad € 3.500,-. Deze schuld is afgewezen
voor overname door de minister, omdat er onvoldoende bewijsstukken zijn aangeleverd om deze schuld te kunnen beoordelen.
  • De schuld aan LAVG ad € 3.500,-. Deze schuld is afgewezen voor overname door de minister, omdat er onvoldoende bewijsstukken zijn aangeleverd om deze schuld te kunnen beoordelen.
  • De schuld aan advocaat [A] ad € 2.148,-. Deze schuld is afgewezen voor overname door de minister, omdat de schuld niet opeisbaar geworden is vóór 1 juni 2021 en daardoor niet voldoet aan de voorwaarden voor overname.
  • Aangezien eiseres niet is ingegaan op de schuld bij het CAK van € 3.500,- heeft de minister deze buiten beschouwing gelaten.
2.1.
Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld onder zaaknummer UTR 25/813. De minister heeft op dit beroep gereageerd met een verweerschrift.

UTR 25/2804

3. Daarnaast heeft SBN op 18 juni 2024 de aanvraag van eiseres voor overname van haar schulden bij GGN Incasso afgewezen. Met het bestreden besluit van 13 maart 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. De minister heeft per schuld aangegeven waarom deze niet voor overname in aanmerking komen. De schulden waar dit besluit op ziet, zijn:
  • De schuld bij GGN Incasso met referentie 146691878 ad € 3.000,-. Deze schuld is afgewezen voor overname door de minister, omdat een gedeelte van de vorderingen van GGN Incasso al was overgenomen door SBN. Het te veel betaalde bedrag is verrekend met deze schuld. Volgens GGN zijn er geen openstaande schulden meer. Omdat de schuld reeds is afgelost, komt deze niet voor vergoeding in aanmerking.
  • De schuld bij GGN Incasso inzake Interpolis ad € 1.717,31. Deze schuld is afgewezen voor overname door de minister, omdat deze schuld ook al is afbetaald, door SBN en/of eiseres zelf. Reeds door eiseres afbetaalde schulden kunnen worden ingediend bij het loket voor al betaalde schulden.
3.1.
Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld onder zaaknummer UTR 25/2804. De minister heeft op dit beroep gereageerd met een verweerschrift.

UTR 25/2651

4. Op 31 mei 2024 heeft SBN de aanvraag van eiseres voor overname van diverse schulden afgewezen. Met het bestreden besluit van 13 maart 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Volgens de minister zijn deze schulden eerder ingediend en in het besluit van 25 april 2024 overgenomen en volledig voldaan. De schulden staan niet meer open en komen daarom niet (nogmaals) voor overname in aanmerking. Hieronder volgt een opsomming van deze schulden:
  • Agin Timmermans met referentie (120203023 Hoist SBN) ad € 829,951;
  • GGN Incasso met referentie (23850116 AGA SBN) ad € 376,-;
  • GGN Incasso 25517746 Interpolis Zorgverzekering SBN ad € 3.242,84;
  • Jongerius sstt Ger.deurw. met referentie (15011322 Vesteda Investment Management SBN) ad € 8.080,94;
  • Flanderijn met referentie (18118243 Liander SBN) ad € 590,87;
  • LAVG Gerechtsdeurwaarders met referentie (214179587 Cartera SBN) ad € 760,35;
  • LAVG Gerechtsdeurwaarders met referentie (230406351 Hoist SBN) ad € 548,41;
  • Yards deurwaardersdiensten met referentie (8518588 Infomedics SBN) ad € 474,77;
  • Yards deurwaardersdiensten met referentie (8521550 Infomedics SBN) ad €518,03.
4.1.
Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld onder zaaknummer UTR 25/2651. De minister heeft op dit beroep gereageerd met een verweerschrift.

UTR 25/2650

5. Ten slotte heeft de SBN op 3 december 2024 de aanvraag van eiseres voor overname van diverse schulden afgewezen. Met het bestreden besluit van 11 maart 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister, gedeeltelijk bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. De schulden bij Flanderijn met referentie 7299668 en 7299655 ter hoogte van € 8.756,25 en € 918,03 worden wel overgenomen door de minister. De volgende schulden worden niet overgenomen:
  • GGN Incasso met referentie (B1236231 Allianz Nederland SBN) ad € 145,33. Deze schuld is afgewezen voor overname door de minister omdat deze reeds betaald is. Eiseres kan deze schuld tot 24 mei 2025 opnieuw indienen bij het loket voor al betaalde schulden.
  • LAVG Gerechtsdeurwaarders met referentie (230003294 Vattenfall SBN) ad € 6.834,24. Deze schuld is afgewezen voor overname door de minister omdat deze reeds is overgenomen met het besluit van 18 juni 2024. Omdat de schuld inmiddels volledig is voldaan door SBN, komt deze niet (nogmaals) in aanmerking voor overname.
  • [B] Juristen met referentie (146691878 SBN) ad € 9.800,00; Deze schuld is afgewezen voor overname door de minister omdat deze reeds is overgenomen met het besluit van 6 februari 2025. Omdat de schuld inmiddels volledig is voldaan door SBN, komt deze niet (nogmaals) in aanmerking voor overname.
  • TKB Trust krediet (SKP) met referentie (001-372-549 ANWB SBN). Deze schuld is afgewezen voor overname door de minister omdat de schuldeiser niet binnen drie maanden heeft gereageerd op het verzoek van SBN. Hierdoor kan de schuld niet geverifieerd en ook niet vergoed worden. Eiseres kan deze schuld opnieuw indienen bij het loket private schulden.
  • Interpolis zorg met referentie (855537434 [eiseres] SBN). Deze schuld is afgewezen voor overname door de minister, omdat deze schuld al is afbetaald. Reeds afbetaalde schulden moeten worden ingediend bij het loket voor al betaalde schulden.
5.1.
Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld onder zaaknummer 25/2650.
6. De rechtbank heeft de beroepen op 15 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van eiseres. De minister was niet aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader Wet hersteloperatie toeslagen (Wht)
7. De regeling met betrekking tot het overnemen van private schulden is verduidelijkt in de Memorie van Toelichting [1] en de rechtspraak over de Wht. Hieruit blijkt dat het doel van de Wht is om gedupeerde ouders een nieuwe start te bieden door hen in bepaalde gevallen te vrijwaren van incassomaatregelen. Er wordt pas tot incassomaatregelen overgegaan als een schuld opeisbaar is en niet kan worden voldaan. De wetgever heeft er bewust voor gekozen om alleen opeisbare schulden of achterstanden onder de regeling te brengen. Hierdoor zullen niet alle ouders volledig worden gevrijwaard van alle schulden. De regeling is niet gericht op het herstellen van onrecht, maar op het bieden van een nieuwe start. De wetgever heeft hier ook bewust voor gekozen. Dat kan tot situaties leiden die onrechtvaardig kunnen aanvoelen.
8. Om in aanmerking te komen voor de overname van private schulden dient de gedupeerde ouder zelf een aanvraag in te dienen bij SBN. Hierbij is het de verantwoordelijkheid van de ouder om de benodigde gegevens te verstrekken. De minister moet namelijk kunnen achterhalen of het compensatiebedrag gebruikt is om schulden, of achterstanden daarop, af te lossen. De minister moet wel inzichtelijk maken welke gegevens aangeleverd moeten worden, maar de bewijslast ligt bij de aanvrager – in dit geval de gedupeerde ouder – zelf.
9. De vereisten waaraan een schuld moet voldoen om voor overname in aanmerking te komen, staan in artikel 4.1, tweede lid van de Wht. Uit dit artikel blijkt dat geldschulden worden overgenomen als:
- zij zijn ontstaan na 31 december 2005,
- opeisbaar waren voor 1 juni 2021, en
- niet voldaan zijn op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.
Als de schuld reeds is afbetaald met de ontvangen vergoeding vanuit bijvoorbeeld de Catshuisregeling of de integrale herbeoordeling, en zou voldoen aan de voorwaarden van artikel 4.1, tweede lid als deze niet reeds zou zijn voldaan, kan de schuld in aanmerking komen voor compensatie. [2] Hier dient de ouder aparte aanvragen voor in te dienen.
10. De Afdeling bestuursrecht van de Raad van State, de hoogste rechter in deze zaken, heeft in een uitspraak van 15 mei 2024 naar de hierboven genoemde voorwaarden in de Wht gekeken. [3] De Afdeling heeft toen geoordeeld dat de wetgever er bewust voor heeft gekozen om deze voorwaarden in de Wht op te nemen en daarbij ook heeft meegewogen dat hierdoor mogelijk een deel van de private schulden buiten de regeling valt. Het is dan niet aan de rechter om de inhoud van die voorwaarden te toetsen. Alleen als sprake is van bijzondere hardheid, waarbij de voorwaarden in een bijzondere situatie zo oneerlijk uitvallen dat de hardheidsclausule opgenomen in artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a van de Wht kan worden toegepast, kan van die voorwaarden worden afgeweken.
11. In de uitspraak van 12 mei 2025 heeft de Afdeling nader uiteengezet wanneer de hardheidsclausule die is opgenomen in artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a van de Wht kan worden toegepast. [4] Dat is alleen in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer er sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Het is hierbij niet van doorslaggevend belang of het gaat om een situatie die door de wetgever is of kan zijn voorzien. Het moet gaan om omstandigheden als serieuze en structurele financiële nood, ernstige medische omstandigheden of andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Bovendien moeten deze omstandigheden actueel zijn en samenhangen met de gevolgen van een weigering om de schulden over te nemen of te compenseren. Het gaat namelijk niet om de omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagenaffaire zich voltrok. Degene die een beroep doet op de hardheidsclausule dient inzichtelijk te maken waar de bijzonderheid of de schrijnende kanten van zijn of haar situatie uit blijkt en dient dit zo concreet mogelijk te onderbouwen. Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt er namelijk een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel.

UTR 25/813

Ontvankelijkheid van het beroep
12. De rechtbank beoordeelt eerst ambtshalve – ondanks dat de minister de ontvankelijkheid niet betwist – of het beroep van eiseres ontvankelijk is omdat wanneer uitgegaan wordt van een bekendmaking van het bestreden besluit op 5 november 2024 het beroep te laat is ingediend. De rechtbank overweegt dat het bestreden besluit op 5 november 2024 niet op de juiste wijze bekend is gemaakt. Het besluit is namelijk alleen naar eiseres gestuurd en niet naar haar gemachtigde. Dat is in strijd met artikel 6:17 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het gevolg hiervan is dat de beroepstermijn niet is gaan lopen. Omdat de gemachtigde van eiseres heeft aangegeven het besluit op 13 januari 2025 alsnog te hebben ontvangen, is de beroepstermijn op 14 januari 2025 gaan lopen. Dat betekent dat het beroepschrift van 27 januari 2025 toch tijdig is ingediend. De rechtbank is daarom van oordeel dat het beroep ontvankelijk is.
Hardheidsclausule
13. Eiseres voert aan dat de minister haar schulden wel over had moeten nemen en doet daarvoor een beroep op de hardheidsclausule. Vanwege haar minimale inkomen en de persoonlijke omstandigheden had de minister een uitzondering moeten maken. De schulden zijn namelijk dermate problematisch voor eiseres. Zij is vanwege haar minimale inkomen niet in staat om deze schulden af te lossen. Daarnaast kampt eiseres ook nog altijd met de geestelijke gevolgen van de toeslagenaffaire.
14. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiseres op de hardheidsclausule niet slaagt. Zoals overwogen onder 10, kan de hardheidsclausule alleen worden toegepast als er sprake is van een schrijnende situatie die het gevolg is van actuele en ontwrichtende omstandigheden. De rechtbank constateert dat eiseres alleen heeft gesteld dat zij financieel en geestelijk in de problemen zit vanwege de toeslagenaffaire. Dat is onvoldoende. Eiseres moet inzichtelijk maken waar de bijzonderheid of de schrijnende kant van haar situatie uit blijkt en dit zo concreet mogelijk te onderbouwen. Eiseres heeft dat niet gedaan. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Ingetrokken gronden
15. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiseres de gronden over het hoorgesprek, de schuld bij Interbank en de overschrijding van de redelijke termijn ingetrokken. De rechtbank zal deze daarom verder buiten beschouwing laten.

UTR 25/2804

16. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte haar schulden niet overneemt. Eiseres heeft recht op de betaling van deze schulden door SBN omdat zij erkend is als gedupeerde van de toeslagenaffaire. Daarnaast voldoet eiseres gewoon aan de voorwaarden voor het overnemen van de ingediende schulden. Eiseres heeft in ieder geval voldoende bewijs aangeleverd dat zij de schulden heeft betaald en dat de schulden binnen de periode van 31 december 200 en 21 juni 2021 zijn ontstaan.
17. De rechtbank is van oordeel dat de minister deze schulden mocht afwijzen voor overname, omdat deze schulden al zijn betaald. De schuld bij GGN Incasso met referentie 146691878 is al afbetaald door SBN en de schuld bij GGN Incasso inzake Interpolis is door SBN en/of eiseres zelf betaald. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze schulden nog openstaan en dat zij hierdoor te maken heeft met een deurwaarder of iets dergelijks. Deze schulden zijn dus al voldaan en komen daardoor niet meer in aanmerking voor overname in het kader van artikel 4.1, tweede lid van de Wht. Eiseres heeft nog wel de mogelijkheid gekregen om de schulden die zijzelf heeft afbetaald met het compensatiebedrag van de Catshuisregeling, opnieuw aan te melden bij het loket al betaalde schulden. Deze aanvraag dient zij nog wel goed te onderbouwen met stukken die betrekking hebben op de ingediende schulden. Deze beroepsgrond slaagt niet.
18. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiseres de gronden over het vormverzuim tijdens de hoorzitting en de gedane toezeggingen ingetrokken. De rechtbank laat deze gronden daarom buiten beschouwing.

UTR 25/2651

19. Eiseres voert ook in deze zaak aan dat de minister ten onrechte haar schulden niet overneemt. Eiseres heeft recht op de betaling van deze schulden door SBN omdat zij erkend is als gedupeerde van de toeslagenaffaire. Daarnaast voldoet eiseres gewoon aan de voorwaarden voor het overnemen van de ingediende schulden. Eiseres heeft in ieder geval voldoende bewijs aangeleverd dat zij de schulden heeft betaald en dat de schulden binnen de periode van 31 december 200 en 21 juni 2021 zijn ontstaan.
20. Tijden de zitting is besproken dat alle schulden uit dit besluit inderdaad al zijn overgenomen met het besluit van 25 april 2024, maar dat het met betrekking tot de schuld aan Jongerius, ter waarde van € 8.080,94 de vraag is of deze volledig is overgenomen. Er bestaat namelijk een discrepantie tussen het bedrag in het besluit van 25 april 2024 en het bedrag dat genoemd wordt in het bestreden besluit van 13 maart 2025. De minister heeft hier verder geen toelichting over kunnen geven, omdat hij niet aanwezig was op zitting.
21. De rechtbank is van oordeel dat het besluit voor wat betreft de schuld aan Jongerius onvoldoende is gemotiveerd. Uit de gedingstukken blijkt gezien voornoemde discrepantie namelijk niet dat de volledige schuld aan Jongerius daadwerkelijk is overgenomen. De minister moet uitleggen waarom het deel dat gezien voornoemde discrepantie nog niet overgenomen lijkt te zijn, niet in aanmerking komt voor overname, dan wel dit deel alsnog voor overname in aanmerking laten komen. Voor de overige schulden is het niet meer in geschil dat deze reeds zijn overgenomen door SBN, en daardoor niet nogmaals in aanmerking komen voor overname. Dit betekent dat deze beroepsgrond alleen slaagt, voor wat betreft de schuld aan Jongerius.
22. De gronden over het vormverzuim tijdens de hoorzitting en de gedane toezeggingen zijn ter zitting ingetrokken. De rechtbank laat deze gronden daarom verder buiten beschouwing.

UTR 25/2650

Overname private schulden
23. Eiseres voert ook in deze zaak aan dat de minister ten onrechte haar schulden niet overneemt. Eiseres heeft recht op de betaling van deze schulden door SBN omdat zij erkend is als gedupeerde van de toeslagenaffaire. Daarnaast voldoet eiseres gewoon aan de voorwaarden voor het overnemen van de ingediende schulden. Eiseres heeft in ieder geval voldoende bewijs aangeleverd dat zij de schulden heeft betaald en dat de schulden binnen de periode van 31 december 200 en 21 juni 2021 zijn ontstaan.
24. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat beide GGN schulden al zijn betaald. Dat betekent dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat deze schulden niet in het kader van artikel 4.1, tweede lid van de Wht overgenomen kunnen worden. Eiseres dient een nieuwe aanvraag te doen voor de overname van deze schulden bij het loket al betaalde schulden. Voor wat betreft de schulden aan LAVG gerechtsdeurwaarders en [B] Juristen constateert de rechtbank dat deze schulden inmiddels zijn overgenomen door SBN. Omdat deze schuld al voldaan is door SBN, komen ze niet nogmaals in aanmerking voor overname. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Schuld TKB Trust
25. Daarnaast voert eiseres aan dat het niet voor haar rekening kan komen dat TKB trust krediet niet heeft gereageerd. Eiseres heeft namelijk alle documenten die zij tot haar beschikking heeft overgelegd. Volgens eiseres is het dan aan de minister om de benodigde informatie te verkrijgen over de schuld bij TKB trust krediet. Het is voor eiseres onduidelijk of de minister voldoende moeite heeft gedaan om deze informatie te achterhalen.
26. De rechtbank is van oordeel, gelet op hetgeen overwogen is onder 8, dat het de verantwoordelijkheid van eiseres zelf is om de benodigde gegevens te verstrekken. Eiseres dient voldoende bewijs over te leggen ter onderbouwing van haar openstaande schulden. Daarnaast moet eiseres aannemelijk maken dat deze schulden voldoen aan de voorwaarden die neergelegd zijn in de Wht. Eiseres heeft tijdens de zitting niet kunnen aangeven welke bewijsstukken zij in dit kader heeft overgelegd. Dat betekent dat de minister de benodigde informatie heeft moeten opvragen bij TKB. Om de schuld over te kunnen nemen moet de minister kunnen achterhalen wanneer de schuld is ontstaan, of deze al betaald is en met welke gelden de schuld is voldaan. Omdat de minister deze informatie niet heeft gekregen, is de aanvraag voor overname van deze schuld terecht afgewezen. Eiseres kan deze schuld opnieuw indienen bij het loket private schulden. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Ingetrokken gronden
27. De gronden over de afwijzing met code 4 en de gedane toezeggingen zijn ter zitting ingetrokken. De rechtbank laat deze gronden daarom verder buiten beschouwing.
Conclusie en gevolgen
28. Het beroep met zaaknummer UTR 25/2651 is gegrond. De minister heeft gezien de geconstateerde discrepantie namelijk niet voldoende gemotiveerd waarom de schuld aan Jongerius niet volledig is overgenomen. De beroepsgronden over de andere schulden slagen niet. Die schulden komen niet in aanmerking voor overname in het kader van artikel 4.1, tweede lid van de Wht. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor wat betreft de schuld aan Jongerius en draag de minister op om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
28.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van €934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal €1.868,-.
29. De overige beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de minister de schulden waar die beroepen over gaan niet hoeft over te nemen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep met zaaknummer UTR 25/2651 gegrond;
- vernietigt het besluit van 5 november 2024 voor wat betreft de schuld aan Jongerius;
- draagt de minister op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres;
- verklaart de overige beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. E.S. Dorsman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2026.
De rechter is verhinderd om deze uitspraak
te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3.
2.Dit volgt uit artikel 4.3, eerste en derde lid van de Wht.